Jackie (2016)

Recensie Jackie CinemagazineRegie: Pablo Larraín | 100 minuten | biografie, drama | Acteurs: Natalie Portman, Peter Sarsgaard, Greta Gerwig, Billy Crudup, John Hurt, Richard E. Grant, Caspar Phillipson, Beth Grant, John Carroll Lynch, Max Casella, Sara Verhagen, Hélène Kuhn, Deborah Findlay, Corey Johnson, Aidan O’Hare, Ralph Brown, David Caves, Penny Downie, Georgie Glen, Julie Judd, Peter Hudson, John Paval, Bill Dunn

Hoe ga je om met een plotseling en verpletterend verlies? Als je echtgenoot naast je wordt doodgeschoten? En als je daarmee ook een deel van je eigen identiteit kwijtraakt, je eigen status en positie als First Lady? Hoe wil je dat de wereld naar je kijkt? 

‘Jackie’ biedt een intrigerend inkijkje in de meest turbulente dagen in het leven van Jacqueline Bouvier Kennedy (Natalie Portman) eind november 1963. Geen traditionele biografie, maar een korte periode die fel al haar eigenschappen, kwaliteiten en tekortkomingen voor het voetlicht brengt rond de moord op president John F. Kennedy (Caspar Phillipson).

De titelrol wordt met fenomenaal acteerwerk ingevuld door Portman, die tot in de finesses Jackies elegantie en vooral haar stem weet te imiteren zonder sprekend op haar te lijken. De hele film draait om haar, om haar beleving, Portman zit in elke scène, draagt de film en daarbij weet ze op verbluffende wijze het complete spectrum aan emoties – en de verschillende stadia van rouw – te vertolken. Daarbij laat ze elke keer een andere Jackie zien. Samen met de vertelwijze maakt dat het soms moeilijk als kijker om je echt in te leven in wat ze meemaakt. Portman weet echter de juiste balans te vinden en een terechte Oscarnominatie was haar deel.

De film is geframed rond een interview dat Jackie een week na de begrafenis houdt met “de journalist” (Billy Crudup) – gebaseerd op een gesprek dat Jackie in werkelijkheid had met Theodore White, zonder dat hij ook met naam genoemd wordt. Ze blikt daarin terug op de succesvolle rondleiding die ze voor de televisie heeft gehouden op Valentijnsdag 1962 en de moordaanslag op JFK op 22 november 1963. Door de gebroken structuur en de vrij lange flashbacks (en flashbacks binnen flashbacks) weet regisseur Pablo Larraín uitstekend haar gefragmenteerde geest en geestestoestand weer te geven. Of het ook echt allemaal zo gebeurd is, blijft gissen. Uiteraard is het drama en geen documentaire en staat het de Chileense filmmaker en zijn crew vrij om de gebeurtenissen naar eigen inzicht te interpreteren. De meeste scènes stroken met de historische feiten en de herinneringen van mensen om haar heen. Haar manipulatieve kant komt het meest naar voren in de verbale sparringwedstrijd met een wel erg agressief interviewende Crudup.

Over de wijze waarop Portman de stem van de voormalige First Lady nadoet, is veel te doen geweest. Dat deze bij sommige mensen irritatie kan opwekken, is op zich wel voor te stellen, maar wie de originele opnames van de White House Tour uit ’62 bekijkt, zal horen dat Jackies stem nagenoeg perfect benaderd wordt.

In belangrijke bijrollen zien we een bijna onherkenbare Greta Gerwig als haar assistente Nancy Tuckerman, Peters Sarsgaard als een onherkenbare Robert “Bobby” Kennedy (en niet op een goede manier) en John Hurt als “de priester” waarmee Jackie een openhartig gesprek voert over leven en dood en de aard van haar huwelijk.

Sarsgaard is de enige dissonant in een verder meesterlijke film. Met zijn acteerwerk is op zichzelf niet eens zoveel mis en dat hij uiterlijk amper op de jongere broer van de president (en tevens minister van Justitie) lijkt, is nog tot daar aan toe. Maar hij doet ook geen poging om Bobby’s stem en houding te benaderen. Bovendien is er amper enige referentie aan het feit dat hij als steun en toeverlaat van zijn broer óók in een zwart gat is gevallen en een rouwproces doormaakt. Natuurlijk zijn er scènes waarin hij somber voor zich uit staart, maar zijn versie van Bobby Kennedy komt voor de kijker nooit echt tot leven. John Hurt schittert met zijn sonore stemgeluid in één van zijn laatste filmrollen voor zijn overlijden begin 2017 als een priester die zelf ook geen antwoorden heeft op de levensvragen waar Jackie mee worstelt, maar intussen wel de diepere laag weet te beroeren.

In andere rollen zijn onder meer John Carroll Lynch te zien als een onbehouwen Lyndon B. Johnson, JFK’s opvolger en Richard E. Grant als ontwerper Bill Walton. Phillipson, een Deense acteur die vanwege zijn gelijkenis met de president is uitgekozen, is maar weinig in beeld en de enige dialoog die hij heeft, is onmiskenbaar het stemgeluid van Kennedy zelf.

Larraín weet met prachtig gefilmde, woordloze scènes de innerlijke gemoedstoestand van Jackie te vangen, ondersteund door de weergaloze en onheilspellende muziek van Mica Levi. Centraal staat ook het slotlied uit de musical “Camelot”, een populaire Broadway-hit uit die tijd, die de basis vormde voor de mythe van de sprookjesachtige Kennedy’s in het Witte Huis.

De film schuwt overigens de gruwelijkheid bepaald niet: hoewel de moordaanslag al in veel films en tv-series een rol heeft gespeeld, zien we hier als kijker voor het eerst in close-up wat het traumatiserende effect moet zijn geweest voor Jackie Kennedy. Het hoofd van haar man in stukken geschoten, haar kleren, haren en gezicht onder het bloed en hersenweefsel – en dat was nog maar het begin van de nachtmerrie. Onbewust of niet, om de onwaardigheid van de dood uit te wissen, plant Jackie de meest waardige en gedenkwaardige manier om haar echtgenoot te mythologiseren.

Daarbij botst haar privéleven hardhandig met haar publieke leven: Kennedy was niet zomaar een man – Jackie laat ook duidelijk doorschemeren dat hun leven samen allesbehalve rozengeur en maneschijn was – maar de president. Het hele land, de hele wereld kijkt mee, al is het maar de staatsbegrafenis die door meer dan 100 buitenlandse staatshoofden en regeringsleiders wordt bijgewoond. Het is in die privémomenten dat de film emotioneel het meest resoneert: hoe vertel je je vijfjarige dochter en je bijna driejarige zoon (John jr. was jarig op de dag van de begrafenis) dat hun vader nooit meer terugkomt? Ook bijzonder sterk is de scène waarin Jackie ’s avonds laat dronken en helemaal alleen door de residentie van het Witte Huis dwaalt. Het volgende moment neemt ze beslissingen over de begrafenisstoet en bepaalt ze hoe miljoenen televisiekijkers de dood van de president kunnen verwerken. En zet de mythe van ‘Camelot’ in gang, die JFK in de dood misschien meer status gaf dan waar hij bij leven recht op had.

‘Jackie’ is een boeiende karakterstudie, die uit de mal van het geijkte biografische afvinklijstje breekt en een nieuw licht schijnt op één van de bekendste en tegelijk meest onpeilbare vrouwen van de 20e eeuw in haar zwakke en sterke momenten.

Hans Geurts