A Woman of Paris-A Woman of Paris: A Drama of Fate (1923)

Regie: Charles Chaplin | 78 minuten | drama, romantiek | Acteurs: Edna Purviance, Clarence Geldart, Carl Miller, Lydia Knott, Charles K. French, Adolphe Menjou, Betty Morrissey, Malvina Polo, Nellie Bly Baker, Henry Bergman, Charles Chaplin, Frank Coghlan Jr., Harry d’Abbadie d’Arrast, Stella De Lanti, Jean de Limur, Charles Farrell, Bess Flowers, Karl Gutman, James A. Marcus, Harry Northrup, Granville Redmond, Philip Sleeman, Arthur Stibolt, A. Edward Sutherland, Wilhelm von Brincken

‘A Woman of Paris’, de tweede langspeelfilm – na ‘The Kid’ – die Chaplin als regisseur maakte heeft een bijzondere plek binnen het oeuvre van de legendarische filmmaker en komiek. Het is de eerste (en laatste) film waarin hij zelf niet de hoofdrol speelt en waarin humor praktisch afwezig is. Hij begint de film zelfs met de waarschuwing dat dit zijn eerste poging is tot een serieus drama en dat men Chaplin zelf, op een kort momentje na, niet zal tegenkomen in de film. Immers, de kijker had anders vanwege niet ingeloste verwachtingen op basis van Chaplins eerdere werk wel eens onnodig teleurgesteld kunnen raken. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen van Chaplin was het publiek inderdaad weinig enthousiast ten tijde van de release van de film. Echter, de kans is groot dat dit weinig te maken heeft gehad met de vergeefse hoop op komedie of het langskomen van Chaplin als de “Tramp”. Als op zichzelf staand (melo)drama is ‘Woman of Paris’ namelijk niet bijzonder meeslepend.

Het begint best prikkelend, voor een melodrama. Marie (Edna Purviance) wordt door haar vader in haar slaapkamer opgesloten, maar even later, wanneer ze uit het raam kijkt, wordt pas duidelijk waarom. Ze roept namelijk naar een man die op de hoek van de straat staat te wachten. Ze legt haar probleem uit, waarna hij, als een ware Romeo, op het dak en naar haar raam toe klimt, en haar eruit helpt. Dit blijkt namelijk Jean (Carl Miller) te zijn, de man van haar dromen, en ze willen zo snel mogelijk trouwen in Parijs. Haar vader accepteert dit echter, om onduidelijke redenen, niet, en sluit haar volledig buiten het huis. Ook bij de ouders van Jean kunnen ze niet terecht en zijn dus gedoemd om samen van de liefde te leven en ze staan op het punt om op de nachttrein te stappen naar Parijs. Maar eerst moet Jean nog even naar huis om zijn koffer te pakken.

Vanaf dit punt raakt de film de kijker kwijt. De vader van Jean krijgt namelijk een hartaanval waardoor Jean niet op tijd op het station kan zijn. Het vreemde is dat Jean en Maria zelfs nog even telefonisch contact hebben na dit incident, maar dat Maria toch, op de een of andere manier denkend dat haar verloofde niet meer van haar houdt, besluit om in haar eentje naar Parijs te gaan. Hij vertelt haar dat hij vertraagd is omdat er iets verschrikkelijks is gebeurd en dat ze even aan de lijn moet blijven. Ze wacht echter niet maar stapt met tranen in de ogen alleen in de trein. Dit betekent een flinke deuk in de betrokkenheid van de kijker.

Vervolgens wordt er een sprongetje van een jaar gemaakt en is arme Maria ineens in de rijke jetset beland. Het was leuk geweest om te weten te komen hoe ze dit precies voor elkaar heeft gekregen. In ieder geval blijkt ze zich nu vaak in de omgeving te bevinden van de welbegeerde vrijgezel Pierre (Adolphe Menjou), wat toch vooral een “verstandshuwelijk” is. De verwikkelingen die in Maries rijke leventje plaatsvinden zijn weinig interessant, en zelfs wanneer ze haar oude vlam weer tegen het lijf loopt komt er nauwelijks energie of hart terug in de film. Even lijkt het goed te komen, maar dan gooit een gekunsteld misverstand natuurlijk weer roet in het eten.

Een probleem is ook dat het meeste Marie weinig lijkt te doen. Pas aan het eind van de film laat ze emotie zien, maar dan is het al te laat. Misschien dat dit juist het punt was van Chaplin; dat ze haar emoties niet toelaat en zich liever laat verleiden door oppervlakkigheden, maar ook in dat geval is de uitwerking hiervan niet erg diep of boeiend. Ze is in weinig momenten verscheurd in haar gevoelens, en komt toch vooral over als onverschillig of verveeld. Ook wanneer ze zegt dat het leven haar niets te bieden heeft.

Leuk is wel het personage van Pierre, dat op een heerlijke manier en met licht sarcasme wordt vormgegeven door de charismatische Adolphe Menjou. Hij bekijkt alles van een afstandje en met lichte ironie, en lacht toch vooral om het melodramatische gedrag van zijn metgezellin en haar (ex-)verloofde. In één scène, wanneer Marie achter een zojuist door haarzelf uit het raam gegooide en door een voorbijganger meegegriste ketting aangaat, lacht hij het letterlijk uit. En wanneer Marie het over haar problemen heeft, speelt hij tegelijkertijd licht spottend op een klein saxofoontje, waarvan het geluid op dat moment ook terugkomt in de soundtrack. Deze soundtrack, vol met gevoelige strijkers, is overigens behoorlijk dik aangezet, en gaat op den duur lichtelijk op de zenuwen werken.

Maar er zijn dus wel interessante momenten aanwezig, waaronder het laatste shot, dat enigszins doet denken aan het laatste shot van ‘The Third Man’, waarin ook de belangrijkste personages elkaar op een lange weg passeren. Verder is er een amusant moment op een feest, waarbij een vrouw die in een doek is gewikkeld op een ronddraaiende plaat wordt gezet, en langzaam door een aan deze doek trekkende man langzaam van haar interessante kledingstuk wordt ontdaan, totdat ze – buiten beeld – volledig naakt voor het joelende publiek staat.
Chaplins eerste serieuze drama is dus helaas een teleurstellende film geworden, waarbij vooral het zich te gemakkelijk en gekunsteld ontwikkelende verhaal en het gebrek aan betrokkenheid bij de centrale personages de film de das omdoet.

Bart Rietvink