Alice in Wonderland (1951)

Regie: Clyde Geronimi, Wilfred Jackson, Hamilton Luske | 72 minuten | muziek, animatie, komedie, familie, fantasie | Originele stemmencast: Kathryn Beaumont, Ed Wynn, Richard Haydn, Sterling Holloway, Jerry Colonna, Verna Felton, J. Pat O’Malley, Bill Thompson

Walt Disney maakte reeds in 1937 zijn eerste tekenfilm van speelfilmlengte: ”Sneeuwwitje’. Na die klassieker zouden nog vele andere volgen, ‘Alice in Wonderland’ kwam uit in 1951(een jaar na ‘Assepoester’) en was toen al de 13e animatiefilm van Disney. Het script is geschreven door de Britse schrijver Aldous Huxley, maar het boek is natuurlijk van Charles Dodgson, onder het pseudoniem Lewis Carroll.

Lewis Carroll had een grote voorliefde voor kleine meisjes, die hij weliswaar nooit om heeft gezet in een seksuele relatie. Hij voelde zich zelfs verplicht om het contact te verbreken met zijn kind-vriendinnetjes als ze zestien jaar werden, omdat het dan zou lijken alsof hij oneerbare bedoelingen had. Zijn lievelingetje onder al die kleine meisjes was Alice Lidell.

Dat de Alice in ‘Alice in Wonderland’ steeds groeit en weer krimpt lijkt een duidelijke verwijzing naar dit volwassen worden van het meisje dat Carroll zo graag klein zou willen houden. De karakters in de Alice verhalen zijn ontleend uit de omgeving van de kleine Alice Liddell, zo is Dodgson (Carroll) zelf de Dodo (hij stotterde : do-do-dodgson).

Tot zover de achtergrond van het verhaal, terug naar de Disneyvariant. Deze komt uit de jaren 50 en dat is te merken: de kleine betweterige Alice is het toppunt van tuttigheid. Aanvankelijk kreeg de film slechte kritieken en Walt Disney zelf zei later ook een hekel aan de film te hebben. Maar bij de hippie-generatie sloegen de surreële elementen in de film goed aan en door de vele betekenissen die mensen erin kunnen zien is Alice ook voor volwassenen een interessante film.

‘Alice in Wonderland’ heeft de Disney-metamorfose nog redelijk onaangetast overleefd. Natuurlijk is niet het gehele boek erin opgenomen en zijn er ook interessante stukjes uit het vervolg Through the Looking Glass gebruikt, waardoor de volgorde van de scenes anders is en er happen ontbreken (bijvoorbeeld helemaal niets over de schaakstukken, of de mock turtle, zelfs geen humptee dumptee). De veelvuldige geparodieerde kinderrijmpjes die in het boek voorkomen worden snel even door Tweedledum en Tweedledee aangesneden, maar daar blijft het bij, geen eindeloze variaties op nursery rhymes, waarmee Dodgson zijn jonge publiek vermaakte. Deze adaptatie is echter helemaal niet storend, integendeel. Het verhaal van Alice is in de Disney-versie een geheel geworden. Ook is het absurder geworden, zeker voor Nederlandse kijkers, die de schaarse verwijzingen naar de oude kinderrijmpjes niet mee zullen krijgen. Na 72 minuten (zo kort maken ze speelfilms niet meer) heb je het gevoel veel meer te hebben gezien dan je kunt bevatten, maar hoe irrationeel de gebeurtenissen ook zijn, het verloop van het verhaal is bijna logisch. Natuurlijk moet ze dat witte konijn volgen, en natuurlijk leiden alle wegen haar naar die- vanzelfsprekend wrede- koningin.

Van Carrolls verhaal zijn een flink aantal films (en musicals) gemaakt. Maar bij het kijken naar deze pogingen zal menig kijker last krijgen van plaatsvervangende schaamte. Mensen in dierenpakken, of een meisje dat praat met werkelijke dieren..dat zijn beide opties die geen schoonheidsprijs verdienen. En ook qua geloofwaardigheid halen zij het niet bij de animatie-versie van het verhaal. Hoe tuttig Disneys Alice ook is, je hoopt toch dat ze haar konijn vindt en dat ze haar hoofd mag houden. Alice is een film die generatie na generatie blijft boeien. Ze is tijdloos, al wint ze wel met de tijd aan mysterie. Een grote verdienste van de film is ook dat ze niet één overduidelijke moraal heeft, zoals over het algemeen bij andere Disney-films wel het geval is. Dit sluit aan bij de bedoelingen van Lewis Carroll: hij wilde kinderen niet betuttelen, maar vermaken.

Emy Koopman