Blood for Dracula – Dracula cerca sangue di vergine… e morì di sete!!! (1973)

Regie: Paul Morrissey | 103 minuten | drama, komedie, horror, thriller | Acteurs: Udo Kier, Joe Dallesandro, Arno Juerging, Vittoria de Sica, Roman Polanski, Maxime McKendry, Milena Vukotic, Dominique Darel, Stefania Casini, Silvia Dionisio, Inna Alexeievna, Gil Cagne, Emi Califri, Eleonora Zani, Giorgio Dolfin, Stefano Oppedisano

‘Blood for Dracula’ is bepaald geen goede film te noemen, maar het is zeker, bedoeld of onbedoeld, één van de leukste Draculafilms geworden. En gek genoeg slaagt Morrissey, of liever hoofdrolspeler Udo Kier, erin om ook nog ergens een aandoenlijk en melancholisch element toe te voegen aan het Draculapersonage. Dat is redelijk bewonderenswaardig gezien de vaak absurdistische kwaliteit van de rest van deze productie.

Toch had Morissey voor ogen om van ‘Blood for Dracula’ een tamelijk ingehouden film te maken om een contrast te bieden met het vlak ervoor geschoten ‘Flesh for Frankenstein’, die een stuk uitbundiger en meer over-the-top was. Beide films dragen het stempel van Andy Warhol, al heeft deze kunstenaar weinig met de films te maken gehad. Het is toch vooral de visie van Morrissey, die met Warhol samenwerkte aan veel van diens experimentele films, die de vorm en inhoud van de films bepalen. Morrissey is hier de professionele filmmaker terwijl Warhol, zoals op de commentaartrack van de dvd wordt uitgelegd, het filmvak een stuk minder serieus nam en het er vooral om ging onorthodox bezig te zijn, met welke kunst dan ook. Hij zette vaak een camera ergens neer, ging dan wat anders doen, en kwam slechts terug om de spoel te verwisselen.

Nu had Morrissey voor ‘Blood of Dracula’ ook niet bepaald een gedegen uitgewerkt plan – het script schreef hij iedere dag op weg naar de set – maar hij werkt wel met consistente thema’s en heeft duidelijke ideeën voor de look en sfeer van de film.

Wat de legende van Dracula aangaat, vond Morrissey het belangrijk om waar hij kon hier trouw aan te zijn, maar filmisch gezien wilde hij hier zich niet door laten beperken. Zo laat hij Dracula bijvoorbeeld in het daglicht lopen, maar laat hij hem zichzelf wel met zijn hoed tegen de zon beschermen, om zo toch niet geheel respectloos met de regels om te springen.

De humor in de film is wat ‘Blood for Dracula’ zo de moeite waard maakt. Of het nu om het concept van de film gaat – het gegeven dat Dracula voor maagdenbloed naar Italië moet; de klassieke structuur van het verhaal – dat als een mop, middels herhalingen en een clou, verteld wordt; de absurde dialoog, of de theatrale, moddervet aangezette vertolkingen – vooral Juerging, die het hulpje van Dracula speelt, is (wellicht onbedoeld) hilarisch met zijn autoritaire gedrag en dreigende blik; het werkt allemaal behoorlijk op de lachspieren. En dan is er nog de zonder twijfel onbedoelde humor afkomstig van de beroerde, houterige vertolkingen en bizarre overgangen in de dialoog of scènes naar bloot, seks of gore. Zo zijn er Maxime McKendry, die als de moeder Di Fiore totaal geen kaas heeft gegeten van het acteervak en overal dezelfde neutrale reactie op heeft, en de dochters Di Fiore die spontaan besluiten hun blouses uit te doen en daarmee hun borsten te ontbloten, wanneer ze in het veld aan het werk zijn.

Een terugkerende “grap” vindt plaats wanneer Dracula (herhaaldelijk) een Di Fiore dochter op zijn kamer ontvangt als mogelijke bruid. Het is echter wel belangrijk dat ze maagd is, omdat hij alleen met maagdenbloed kan overleven. Dus onderwerpt hij ze, voordat hij zijn tanden in hun sappige nekjes zet, aan een klein verhoor om zich ervan te verzekeren dat ze nooit seks hebben gehad. “Wat vreemd dat je nog maagd bent”, merkt Dracula op, “…omdat je toch al zo ontwikkeld bent.” “Ben je dáár nog nooit aangeraakt? En dáár?” vraagt hij, terwijl hij zijn hand op de bewuste plekken legt. “Nee, hoor”, antwoordt de dochter onbewogen, “Zelfs niet door de dokter.” Nu lijkt voor Dracula de tijd aangebroken om zijn slag te slaan en hij zet zijn tanden in haar nek om zich te goed te doen aan haar vermeende maagdenbloed. Als hij klaar is met drinken lijkt het even goed te gaan, terwijl het bloed nog langs zijn mondhoeken op de grond druipt. Maar dan loopt hij ineens groen aan en begint hij te kokhalzen. Zo snel mogelijk strompelt hij naar de badkuip om daar al het bloed eruit te kotsen.

Het is komisch, maar na afloop heeft de kijker toch ook wel te doen met de beste graaf, zeker omdat het hem hierna nog een keer gebeurt. Hij kan er ook niets aan doen dat hij zo in elkaar zit en is buiten zijn behoefte aan bloed best een sympathieke man. Hij is geen angstaanjagend roofdier, al is ‘ie zeker wat eigenaardig. De tragiek van zijn levensstijl wordt ook mooi geïllustreerd, half spottend, met gevoelige pianomuziek wanneer hij weer eens zijn tanden zet in een vrouwelijk slachtoffer. Het is best knap dat de Dracula in deze pulpfilm toch sympathie en mededogen bij de kijker weet op te wekken, en dat Udo Kier zo’n ingetogen, serieuze vertolking weet te geven in vergelijking met zijn omgeving. Het geeft deze bijna-parodie een onverwacht interessante, dramatische toevoeging. Nog een grappig element dat Morrissey aan deze vermakelijke Draculaverfilming toevoegt is een maatschappijkritische context, dat waarschijnlijk niet al te serieus genomen dient te worden en inderdaad vooral humoristische waarde heeft. Morrissey plaatst zijn verhaal namelijk in een sfeer van klassenstrijd. Mario, het hulpje van de Di Fiore familie is namelijk sterk tegen op het klassensysteem en bekritiseert de Di Fiores en graaf Dracula vanwege hun aristocratische levensstijl. Hij wacht op de revolutie die volgens hem ongetwijfeld zal komen. Met zijn stijle, blonde haardos, gespierde lichaam en houthakkersbijl in zijn handen is hij het stereotiepe beeld van de communistische arbeider en zou niet misstaan in een film van Sergei Eisenstein.

De film als geheel kent, kijkend naar de eigen doelstellingen en regels, wat trage, oninteressante momenten, zoals een scène waarin Juerging in een buurtkroeg een spel speelt met een klant om achter waardevolle informatie te kunnen komen. Ook is het verhaal simpel en voorspelbaar. En toch… toch zijn het camerawerk en de fotografie vaak verrassend mooi en is de muziek meestal passend spottend of oprecht boeiend. En wie kan dat heerlijke over-the-top Monty Python-einde weerstaan? Kortom, Morrissey’s ‘Blood for Dracula’ is zeker niet de beste van de Draculafilms, maar wel degelijk één van de leukste.

Bart Rietvink