Blue Collar (1978)

Regie: Paul Schrader | 114 minuten | drama, misdaad | Acteurs: Richard Pryor, Harvey Keitel, Yaphet Kotto, Ed Begley Jr., Harry Bellaver, George Memmoli, Lucy Saroyan, Lane Smith, Cliff De Young, Borah Silver, Chip Fields, Harry Northup, Leonard Gaines, Sammy Warren, Jimmy Martinez, Steve Butts, Stephen P. Dunn, Eddie Singleton, Davone Florence, Victoria McFarland, Ava Singleton

Fuck Uncle Sam, man! They give the fuckin’ politicians a break! Agnew and ’em don’t pay shit! Working man’s gotta pay every goddamn thing! brult Zeke Brown (Richard Pryor) tegen het schlemielige mannetje van de belastingdienst. Scenarist Paul Schrader (‘Taxi Driver’) debuteerde als regisseur met deze karakterfilm over de uitzichtloze situatie van Amerikaanse arbeiders in de fabrieken. Resultaat is een oprechte film die controverse niet uit de weg gaat, en met sterk spel van de drie hoofdrolspelers indruk maakt.

Het leven van Zeke, Smokey (Yaphet Kotto) en Jerry (Harvey Keitel) is sober. Het werk aan de assemblagelijn van de autofabriek in Detroit is zwaar en eentonig. Hun voorman is een onuitstaanbare racist en hun vakbond negeert klachten. De enige ontsnapping aan de sleur van het leven zijn de feestjes bij Smokey, waar drugs, alcohol en vrouwen hen de problemen even doen vergeten.

Binnen de eerste 45 minuten zet Schrader de grimmige sfeer in Detroit en het leven van de mannen feilloos neer. Zeke komt in de problemen met de belastingdienst en Jerry, die al diep in de schulden zit, is gedwongen een beugel voor zijn dochter te kopen als hij er achter komt dat ze zelf van gebogen paperclips een beugel wilde maken. Smokey, een ex-gevangene, heeft ook schulden, maar bij de verkeerde mensen. Radeloos breken ze in de kluis van het vakbondsgebouw. De buit valt zwaar tegen maar ze vinden wel iets anders waardoor ze steeds dieper in de problemen raken.

Pryor is voortreffelijk in een serieuze rol. Hoewel hij allure heeft gemaakt als vloekende en tierende komiek weet hij hier toch een gevoelige snaar te raken als wanhopige vader van drie kinderen. In de schaduw van Pryor leveren Keitel en Kotto ook prima werk af. Kotto in het bijzonder die zijn karakter diepgang geeft als norse arbeider tot onberekenbare bruut.

‘Blue Collar’ is een dappere film. De kritiek op fabrieken, de vakbond en de politiek is ongekend fel. Het is een film die glashard beweert dat ook Amerikaanse vakbonden rot van binnen zijn en zelfs moord niet schuwen. Bovendien is het een film die de tijdsgeest van de jaren 70 goed pakt. Tegenwoordig zijn alle fabrieken verhuisd naar Derde Wereld landen, zoals het toen was wordt het nooit meer.

Natuurlijk zal de situatie van Zeke, Smokey en Jerry niet voor veel mensen tegenwoordig een pijnlijke herkenning zijn. Maar de film leert ons middels drama en een subtiele luchtige humor wel dat ook goede mensen met een baan moeten vechten om te overleven, en dat loopt niet altijd goed af. Schrader kiest namelijk niet voor het makkelijke einde. En lijkt ons te willen vertellen dat wie voor een dubbeltje is geboren, nooit een kwartje zal worden.

Caspar Kraaijpoel