Blue Sun Palace (2024)

Recensie Blue Sun Palace CinemagazineRegie: Constance Tsang | 118 minuten | drama | Acteurs: Lee Kang-sheng, Ke-Xi Wu, Haipeng Xu, Damien Brown, Yvonne YF Chan, Leo Chen, Wu Chengying, Lily Gao, Huang Guiping, Janet Hsieh, Murielle Hsieh, XiaoXiao Sun, Jamie Tierney, April Wang, Limin Wang, Lynn Xiong, Zhu Yating, Zachary Zamsky

Lee Kang-sheng bezit misschien wel het meest mysterieuze gezicht van de hedendaagse cinema. Arthouseliefhebbers kennen hem als de vaste acteur uit de films van Tsai Ming-liang, maar ook los van dat oeuvre blijft zijn gezicht een fascinerend landschap. Het lijkt voortdurend iets achter te houden. Alsof er in zijn hoofd duizend gedachten rondgaan die nooit worden uitgesproken. Zijn blik voelt als een snelkookpan waarvan je voortdurend verwacht dat hij ieder moment kan ontploffen. Juist daarom past Lee Kang-sheng naadloos in ‘Blue Sun Palace’, Constance Tsangs tedere debuut, waarin de grootste emoties zich bijna altijd onder de oppervlakte afspelen.

Gedraaid op grofkorrelig 16mm belanden we in de eerste scène met Cheung en Didi in een eenvoudig restaurant in Queens. “Ik voel me gelukkig als ik bij jou ben,” zegt hij. “De hele dag werk ik tussen stinkende mannen. Na het werk gaan zij kaarten. Dat kan ik niet. Daarom ben ik graag met jou.” Didi barst in tranen uit en kust hem. De camera blijft kijken. Zonder haast. Zonder montage die het moment probeert op te jutten. Het is een scène die eindeloos zou mogen duren.

Het bijzondere aan ‘Blue Sun Palace’ is hoe vanzelfsprekend alles voelt. Mensen praten niet zoals personages in een scenario, maar zoals mensen werkelijk praten: aarzelend, onhandig, soms langs elkaar heen. Later zingen Didi en Cheung karaoke. Ze zijn volwassen, maar gedragen zich als verliefde tieners die nog niet goed weten hoe ze zich tegenover elkaar moeten verhouden. De volgende ochtend liggen ze samen in haar kleine kamer boven de massagesalon waar Didi woont en werkt. Aan de muur hangt een poster van een strand in Baltimore. Ze vertelt over haar droom: ooit wil ze daar een restaurant openen. Misschien een huisje aan zee. Misschien een hond. Uiteindelijk geeft ze Cheung de poster mee. Alsof ze hem niet zomaar een stuk papier schenkt, maar haar toekomst.

Het zijn precies dit soort ogenschijnlijk kleine momenten waarin Tsang excelleert. Niet de grote dramatische gebeurtenissen, maar de blikken ertussen. De gesprekken tijdens het ontbijt. De vrouwen die elkaar na het werk masseren. Samen eten. Yoga doen. Het zijn scènes waarin nauwelijks iets gebeurt en tegelijkertijd alles. De camera observeert geduldig, waardoor de personages langzaam vrienden worden van de kijker.

Juist daarom voelt de gewelddadige overval die daarop volgt zo ingrijpend. Didi wordt tijdens haar werk doodgeschoten. Het is het eerste moment waarop ‘Blue Sun Palace’ iets voorspelbaarder aanvoelt. De film, die tot dan toe volledig dreef op observatie, grijpt ineens naar een dramatische gebeurtenis om zijn tweede helft in beweging te zetten. Dood is in film en literatuur tenslotte een van de meest voor de hand liggende katalysatoren voor verandering.

Vanaf dat moment verschuift het perspectief naar Amy, zichtbaar verlamd door het verlies van haar vriendin. Onder haar bed bewaart ze Didi’s bezittingen, waaronder haar telefoon. Wanneer daarop berichten van Cheung blijven binnenkomen, besluit ze uiteindelijk contact met hem op te nemen.

Ondertussen lijkt ook het gebouw waarin de vrouwen wonen en werken te rouwen. Beneden in de wasruimte druppelt onafgebroken water door een gat in het plafond. Alsof het massagesalon zelf, net als Amy, na Didi’s dood niet meer is opgehouden met huilen. Tsang legt dat beeld nergens uit en juist daardoor krijgt het zoveel kracht. Amy vraagt Cheung het lek te komen repareren. Letterlijk komt hij het gat dichten waaruit het verdriet blijft stromen. Hun ontmoeting ontstaat daardoor niet uit romantiek, maar uit een poging iets te herstellen wat eigenlijk niet meer te herstellen valt.

Langzaam groeien Amy en Cheung naar elkaar toe. Niet omdat ze elkaars grote liefde zijn, maar omdat ze dezelfde leegte herkennen. ‘Blue Sun Palace’ gaat over mensen die wel naar Amerika zijn verhuisd, maar nooit werkelijk ergens aankomen. Ze slapen op hun werk, sturen geld naar familie in Taiwan, wonen in kamers die tegelijk slaapkamer, werkplek en toevluchtsoord zijn. Hun bestaan voelt voortdurend tijdelijk. Alsof het echte leven steeds pas morgen begint. Baltimore wordt zo meer dan een stad: het wordt een idee. Een plek waar alles misschien eindelijk anders zal zijn.

Dat maakt de poster aan Didi’s muur misschien wel het belangrijkste voorwerp uit de film. Eerst lijkt het goedkope wanddecoratie. Later blijkt het een droom die steeds opnieuw wordt doorgegeven. Didi gelooft erin. Daarna bewaart Cheung hem. Uiteindelijk reist Amy naar Baltimore. Niet om Didi terug te halen, maar om haar verlangen voort te zetten. Constance Tsang, die zelf opgroeide in Flushing, Queens, en de film baseerde op herinneringen aan haar eigen jeugd en het verlies van haar vader, maakt van Baltimore geen geografische bestemming, maar een emotionele. Een plaats waar hoop mag blijven bestaan, ook wanneer degene die ervan droomde er niet meer is. 

Toch verliest ‘Blue Sun Palace’ in de laatste minuten iets van de trefzekerheid waarmee de film begon. De tweede helft voelt steeds meer als Amy’s film. Haar rouw, haar stilstand en uiteindelijk haar beslissing om Didi’s droom voort te zetten, vormen het emotionele hart van het verhaal. Juist daarom voelt het onverwacht dat Tsang uiteindelijk afsluit met de zwijgende Cheung. Zijn laatste beeld op het strand bezit onmiskenbaar symbolische kracht, maar laat Amy’s ontwikkeling minder afgerond achter dan de film onderweg lijkt te beloven. Dat neemt weinig weg van een indrukwekkend speelfilmdebuut, waarin Constance Tsang met uitzonderlijk veel geduld en menselijkheid laat zien hoe verlies niet alleen mensen tekent, maar ook de ruimtes waarin ze leven en de dromen waaraan ze zich vastklampen.

Martijn Smits

Waardering: 3.5

Bioscooprelease: 30 juli 2026 (Previously Unreleased)