Bob le flambeur (1956)

Regie: Jean-Pierre Melville | 102 minuten | misdaad, drama, thriller | Acteurs: Roger Duchesne, Isabelle Corey, Daniel Cauchy, André Garet, Gérard Buhr, Claude Cerval, Colette Fleury, René Havard, Simone Paris, Howard Vernon, Henry Allaume, Germaine Licht, Yvette Amirante

Aan het einde van een lange nacht slentert een man in een kenmerkende lange herenjas rond in Montmartre op zoek naar een laatste kansspel om het af te leren. De nog plukjes aanwezige mensen slaan acht op de opvallende verschijning maar spreken de man niet zomaar aan. Zelf ziet hij een jonge vrouw achteloos achter op de motor van een Amerikaanse matroos springen. Op dit moment is nacht bijna niet meer te onderscheiden van dag. Sommige mensen slapen klaarblijkelijk niet. Zo ook de stijlvol geklede Bob Montagné (Roger Duchesne) in de Franse film noir ‘Bob le flambeur’ van regisseur Jean-Pierre Melville. In deze voorloper van de Nouvelle Vague films, Melville was een voorbeeld voor en bevriend met onder meer Jean-Luc Godard, zie je een kant van Parijs waarvan de echte locaties voorheen nauwelijks zichtbaar waren op film: de handel en wandel van de Parijse gok- en onderwereld.

Waar Bob zich vaak ophoudt, blijkt het meisje op de motor ook op te duiken. Ze heet Anne (Isabelle Corey), verder geen achternaam, en snakt naar een leven waarin je niet meer constant hoeft te letten op je banksaldo. Er hangt romance in de lucht maar Bob werpt zich eerder op als beschermheer want hij kent de verleidingen van de straat. Hij was zelf ooit jong en roemrucht als bankovervaller maar die hoed heeft hij al zo’n twintig jaar aan de wilgen hangen. Nu gokt hij alleen nog, altijd in dat grijze gebied waarin hij de politie (vrij letterlijk) net te vriend kan houden. Zijn jonge protegé en rechterhand Paolo (Daniel Cauchy) ziet de gevaren dan weer een stuk minder goed. Het leven is ook vaak mistig want uiteindelijk sleept Paulo’s straatvader Bob hem mee in een groots opgezette overval. Bob had namelijk een tijdje geen geluk aan de goktafel. Kortom, een vos verliest zijn haren, maar niet zijn streken.

In de ogen van Melville was de rol van Bob op het lijf geschreven van acteur Roger Duchesne (evenals Melville zijn artiestennaam). De rijzige acteur, in de jaren dertig een blauwe maandag concurrent van Jean Gabin, had een verleden als fervent gokker. Op een gegeven moment had Duchesne zoveel schulden uitstaan dat hij makkelijk chantabel was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij daarom samen met Franse nazi-sympathisanten in de filmwereld en gingen er sterke geruchten dat hij verzetslieden had verraden. Na de oorlog verklaarde de filmindustrie hem persona non grata (en kwam niet meer aan de bak tot aan ‘Bob le flambeur’) en heeft hij een tijdje vastgezeten. Om weer legaal zijn brood te verdienen schreef Duchesne pulp detectiveromans met mild succes. Waarschijnlijk kwam Melville hem via die romans op het spoor. Het ging hier dus echt om een man die had geleefd als Bob. Saillant detail, Melville was actief in het Franse verzet tijdens de oorlog en daarbovenop Joods. Wat zich allemaal niet in de schaduwen kan voltrekken.

Melville schept enorm genoegen in het creëren van een filmsfeer die sterk doet denken aan de Amerikaanse film noir van de jaren veertig. ‘Bob le flambeur’ puilt uit van de shots van achteraf straatjes, louche bars en rokerige kamertjes. Daarnaast is er de gevoelige misdadiger, een stille kluizenexpert, een gewillige schlemiel met handige connecties, een sarcastische rechercheur en natuurlijk een femme fatale. Toch laat Melville zich niet compleet door zijn adoratie voor Amerikaanse gangsterfilms afleiden van de plot, die overigens op sterk onderscheidende muziek onverminderd doorstoomt, want tegelijk is ‘Bob le flambeur’ het kruispunt waarop Melville een specifieke kant, enkele uitzonderingen daargelaten, afslaat in zijn werk. Van ‘Le doulos’ (1960) tot aan ‘Un flic’ (1972), verfijnde hij zijn unieke stijl tot in den treure alsof hij steeds dezelfde film maakte. Zo schiep hij een wereld waarin geheimzinnige mannen, ongeacht aan welke kant ze van de wet staan, gegoten in lange herenjassen het nachtleven als een speeltuin beschouwen en het liefst hun erecode in de schaduw naleven en noodlottig ondergaan.

De raadselachtige Melville gaf ook weer terug aan de Amerikanen. Quentin Tarantino is onder andere sterk geïnspireerd door het werk van de Franse regisseur. En herkijk eens het speelfilm regiedebuut ,‘Hard Eight’ (1996), van Paul Thomas Anderson die daarin met een fijngevoelige en speelse variatie op Bob, Anne en Paolo komt. Het is smullen geblazen hoe filmmakers elkaar over generaties en grenzen heen kunnen beïnvloeden. Mooier nog, ‘Bob le flambeur’ houdt, ondanks hier en daar wat slijtage, goed stand tussen al de klassiekers (‘The Killing’ van Kubrick is uit hetzelfde wijnjaar) en verborgen schatten in film noir.

Roy van Landschoot

Waardering: 4

Bioscooprelease: 18 januari 1957