Bride of the Monster (1956)

Regie: Edward D. Wood Jr | 69 minuten | science fiction, horror | Acteurs: Bela Lugosi, Tor Johnson, Tony McCoy, Loretta King, Harvey B. Dunn, George Becwar, Paul Marco, Don Nagel, Bud Osborne, John Warren, Ann Wilner, Dolores Fuller, William Benedict, Ben Frommer

Deze film is van de hand van Edward D. Wood Jr die eeuwige roem vergaarde door zijn onnavolgbare ‘Plan 9 from Outer Space’. Dezelfde Ed Wood die een schare fans verkreeg doordat hij twee jaar na zijn dood werd uitgeroepen tot de slechtste regisseur aller tijden. Ook in deze ‘Bride of the Monster’ uit 1956 is te onderkennen dat de reputatie die hij heeft verkregen niet geheel ten onrechte is.

Allereerst komen de ontwikkelingen en uitgangspunten in dit verhaal in dit ‘mad scientist’ verhaal nogal twijfelachtig over. De hoofdpersoon is de boosaardige en sarcastische geleerde Dr. Vornoff die in een afgelegen moeras experimenten uitvoert. Daarbij is zijn hulp een in de rondte stampende doofstomme kolos, heeft hij een geheim laboratorium met allerlei als indrukwekkend bedoelde maar als vrij nietszeggende overkomende apparatuur, en huist er in een poel naast zijn huis een octopus die net als hijzelf de nodige slachtoffers maakt. En dit alles staat ten dienste van Vornoff’s bedoelingen om ‘perfect my own race of people… a race of atomic supermen… conquer the world…’. Opmerkelijk genoeg worden zijn plannen door de in het verhaal opduikende Dr. Strowski nog serieus genomen ook, terwijl Vornoff’s experimenten niet bepaald succesvol zijn. Iets waar hij zich gezien zijn eigen uitspraak ‘…like all the others…dead…’ ook maar al te zeer bewust van is. Daarnaast blijkt uit zijn verraste reacties op zijn eigen mislukte experimenten dat hij amper weet waar hij mee bezig is. Al snel ontstaat dan ook de indruk dat aan de geloofwaardigheid van de diverse uitgangspunten en ontwikkelingen in deze film niet al te zwaar getild moet worden.

Vornoff wordt vormgegeven door Bela Lugosi, in horrorkringen alom bekend en gevierd door zijn Dracula-vertolkingen. En het lijkt er sterk op dat de gebeurtenissen in dit verhaal ondergeschikt worden gemaakt aan Lugosi’s blikvangende verschijning. En hoewel hiermee de geloofwaardigheid van het hele gebeuren ver te zoeken is, kwijt Lugosi zich met verve van zijn taak. Hij ziet er in zijn laatste film (afgezien van zijn archief-optreden in ‘Plan 9 from Outer Space’) oud en breekbaar uit, dit ongetwijfeld mede veroorzaakt door zijn jarenlange drugsverslaving, maar voor de camera zien we de vroegere Lugosi weer in topvorm bezig. Met name zijn optreden in de ‘I have no home’ speech zal door zijn fans gewaardeerd worden, temeer daar hij zich ook in de overige scènes aan tal van geslaagde gezichtsuitdrukkingen overgeeft om Vornoffs gestoorde geest tot uitdrukking te brengen. Dat Vornoff zelf door de twijfelachtigheid van het hele gebeuren niet bijster geloofwaardig overkomt doet daarbij niets af aan de kwaliteit van Lugosi’s optreden. Naast Lugosi duikt ook ex-worstelaar Tor Johnson op die Vornoff’s assistent Lobo al even opmerkelijk weet neer te zetten, hoewel niet door een duidelijk uitblinkend acteertalent. Johnson beweegt zich houterig en met een minimum aan gezichtsuitdrukkingen voort waarbij, in tegenstelling tot Lugosi, uit zijn optreden zijn acteerbeperkingen duidelijk naar voren komen.

Toch weet deze productie de aandacht vast te houden. Zowel Lugosi als Johnson weten met hun vertolkingen de show te stelen, ook door de onvergetelijke onderlinge interactie van hun filmpersonages. Vornoff die Lobo oorvijgen uitdeelt omdat hij te ruw is geweest met zijn ‘patiënten’? Vornoff die het personage Janet verzekert dat ‘…don’t be afraid of Lobo…he’s as harmless as a kitten…’ en hem vervolgens in haar bijzijn met een zweep afrost om hem tot gehoorzamen te dwingen? En Vornoff en Lobo die vlak daarna gezamenlijk staan te grinniken om een slachtoffer dat door hen aan de octopus wordt gevoerd? Het zijn deze en tal van andere (humoristisch bedoelde?) taferelen die deze film tot het gedenkwaardige soort laten behoren.

Temeer daar ook in deze productie Ed Wood’s beperkingen, zoals in zoveel van zijn films overigens, zich weer onmiskenbaar laten gelden. Lobo die meerdere malen als geroepen en vooral als uit het niets opduikt om zijn rol in de daaropvolgende scène vervullen? Lobo die drijfnat van de regen Vornoff’s huis binnengaat en daar vervolgens kurkdroog in binnenstapt? Wiens litteken op zijn wang opeens is verdwenen in de scène waarin hij de trap afkomt? En waar komt de octopus vandaan? Waarom maakt de politie zich om dit monster niet bijster druk terwijl het toch in drie maanden tijd twaalf slachtoffers wordt aangerekend? Waarom zijn Vornoff’s experimenten opeens wel succesvol wanneer hijzelf er het proefkonijn van wordt gemaakt? De qua gelijkenis met Lugosi wel wat te wensen overlatende dubbelganger die Lobo tegen de muur kwakt in de scène waarin de decors niet erg schokbestendig blijken te zijn? Bolo die door Vornoff met kogels wordt volgepompt en daar niet in het minst last van heeft maar ook zelfs geen kogelinslagen vertoont? Vornoff zelf die nog meer kogelinslagen moeiteloos overleeft? Iemand die zonder te herladen acht kogels uit een six-shooter weet af te vuren? En zo kan er nog wel even doorgegaan worden…naast de ongeloofwaardigheid van het hele gebeuren zullen de missers die Wood in deze film maakt er niet toe bijdragen dat deze horrorfilm het nodige afgrijzen bij de kijker weet op te roepen.

Tot Wood’s verdediging kan gezegd worden dat niet alle tekortkomingen in deze film hem kwalijk genomen kunnen worden. Komt het einde van ‘Bride of the Monster’ ietwat onbegrijpelijk en vooral kunstmatig over? Dat kan wel kloppen. Omdat de producer op een letterlijk explosief einde stond moest Wood het script deels herschrijven, zonder daarbij overigens te verklaren hoe diverse personages datzelfde explosieve einde weten te overleven. Ook de door Vornoff gedane uitspraak ‘Bride of the Atom’ wordt pas duidelijk wanneer we weten dat ook de titel op het laatste moment veranderd moest worden. En komen ook de gevechten die de octopus met zijn slachtoffers heeft niet echt overtuigend over? Ook dat is juist opgemerkt, want toen Wood de rubberen octopus ‘leende’ van de Republic Studios werd de motor ervan niet meegenomen, zodat de diverse slachtoffers onder ijselijk gegil zelf de armen van de octopus moesten bewegen om de indruk van een gevecht met dit huiveringwekkend ondier te wekken. Naast Wood’s eigen gebrekkige regisseurscapaciteiten zijn het aldus ook de beperkingen waar hij tegenaan liep die de gemiddelde kijker zich achter de oren zal doen krabben.

Maar ondanks alle tekortkomingen weet deze film toch tot het eind te boeien. En hoewel qua effectieve horror de stuipen niet op het lijf van de kijker gejaagd zullen worden, heeft Wood wel de nodige ingevingen gehad die door de horrorfan gewaardeerd zullen worden. Een duister, onheilspellend ‘a monument to death’ moerassig gebied, bliksemflitsen, regenstormen, een donker en spookachtig huis, monsters van menselijke en dierlijke aard, slachtoffers die met boosaardige bedoelingen onder enge muziek worden gemaakt… Sfeervol is het in elk geval allemaal wel, saai wordt het door de vele gebeurtenissen nooit en daarbij zorgen ook de fouten en tekortkomingen ervoor dat er over de humor in deze productie niet geklaagd kan worden. Wat dat betreft in zekere zin zo slecht dat het leuk wordt. Waarbij voor de kijker die de moeite neemt om zich te informeren over de achtergronden van deze film de amusementswaarde verhoogd zal worden door de momenten van herkenning daardoor zullen optreden. En er bij een beetje welwillend kijker ook het nodige respect voor Wood zal gaan ontstaan. Een regisseur die zich door zijn eigen gebrek aan talent en beperkte middelen en door verdere tegenslagen van welke aard dan ook zich er niet van liet weerhouden om hoe dan ook zijn film te maken. Een film waarover het oordeel volgens ‘conventionele’ maatstaven alleen maar negatief kan uitvallen maar naar Ed Wood-maatstaven een van zijn beste producties is. Wood heeft in elk geval zijn best gedaan net als de acteurs die door hem voor de camera zijn neergezet. En, ondanks dat ook het acteerwerk van de meeste castleden nog weleens wat te wensen overlaat, wordt daarvan veel vergoed door het duidelijke enthousiasme waarmee de betrokkenen zich bij de totstandkoming van deze productie hebben ingezet. Al met al is ‘Bride of the Monster’ dan ook een film die door de Wood-fans alleen maar verwelkomd zal worden en voor de overige kijkers is het een aanbevelenswaardige manier om met zijn werk kennis te maken.

Frans Buitendijk