Crumb (1994)
Regie: Terry Zwigoff | 119 minuten | biografie, komedie, drama, documentaire | Met: Robert Crumb, Aline Kominsky-Crumb, Charles Crumb, Maxon Crumb, Robert Hughes, Martin Muller, Don Donahue, Dana Morgan, Trina Robbins, Spain Rodriguez, Bill Griffith, Deirdre English, Peggy Orenstein, Beatrice Crumb, Kathy Goodell, Dian Hanson, Sophie Crumb, Jesse Crumb
Het lijkt een recente ontwikkeling dat de kennis van een kunstenaarsleven het werk niet alleen kan verrijken, maar het ook in een nieuw, vaak moreel daglicht plaatst. Typerend voor een generatie dat terecht gerechtigheid zoekt waar die al lange tijd is uitgebleven. Toch kan het knellen wanneer het morele oordeel over de biografie doorslaggevend wordt voor de waardering van het werk zelf. Maar ja: als er eenmaal geknoeid is op het authentiek Perzisch tapijt, gaan de vlekken er niet zomaar uit. Robert Crumb, een pionier van de alternatieve comics uit de tegencultuur van de jaren zestig in Amerika, is iemand over wie je al snel zo’n oordeel velt en een vlekje spot. Maar wat moeten we dan met de vlek van zo’n gevonnist man?
Gelukkig laat de documentaire het antwoord volledig aan het publiek. Want ongeacht of men bekend is met Crumbs werk of er al een sterke mening over heeft, is hij als persoon een eindeloos fascinerend onderwerp. Crumb die stiekem lijkt op een van zijn eigen perverse stripfiguren: mager, gebogen van houding, met enorme brilglazen die zijn wellustige blik nog eens vergroten – is namelijk open over wie hij is, met alle wratten van dien. Zijn erotische obsessies heeft hij een leven lang expliciet verwerkt in comics als Zap Comix, Fritz the Cat en Keep on Truckin’. En ondanks de maatschappelijke ondeugden in zijn prenten zijn schaamte en schijn nauwelijks te bespeuren. Zijn werk is rauw, ironisch en provocatief, wat het moeilijk kan maken om voorbij het groteske en verdorven oppervlak te kijken. Maar zijn totale overgave aan deze zelfexpressie, zowel in zijn werk als wezen voor de camera is eerlijk en verfrissend. Het legt een direct contract bloot tussen zijn geest en zijn werk.
Achter de strips, aan het uiteinde van het potlood, wordt het portret gaandeweg minder fris en steeds verontrustender. In interviews met zijn moeder, broers, en ex-partners komt een familiegeschiedenis naar boven vol trauma, mentale zorgen, en een manische relatie tot vrouwen. Crumb kan verassend gearticuleerd zijn, maar bij geringste dreiging dat echte emotie naar boven komt, verschuilt hij zich achter nerveus gelach of een plotselinge beleefdheid die zijn strips juist ontberen. De persoon blijft dubbelzinnig: enerzijds fileert hij de onderdrukte lusten en hypocrisie van het Amerikaanse leven, anderzijds voelt het dat hij er op een eigen manier vunzig genot uit haalt. Waar pornografie zo erg niet is, zijn misogynie en de raciale stereotypen onmogelijk te negeren. Wat de een zal afdoen als puberaal en grensoverschrijdend, zal de ander zien als een onbeschaamd eerlijke vorm van menselijkheid — een rauwe weergave van lust, frustratie en neurotische verbeelding. Crumb voelt verboden maar tegelijkertijd ook een van ons.
Enkele van Crumbs beruchte strips worden tussen de interviews door gemonteerd, zodat de man en de prent voortdurend naast elkaar bestaan. Ook zien we hem tekenen op straat, thuis aan zijn bureau, of kort met zijn zoon – aan wie hij uitlegt hoe je gelaatstrekken moet chargeren om iets wezenlijks te vangen. Voor Crumb is tekenen geen carrière maar een katatonische levensdrang. Zijn schetsboek fungeert als een plek waar alles mag bestaan: fantasieën, angsten, vuiligheid en satire, zonder de verplichting zedelijk of beleefd te zijn. Zijn talent is een gemanifesteerde ambacht, gerealiseerd door naast het dagelijks oefenen, het werk ook dag in dag uit te beleven. De stroom van gedachten wordt zo door ‘Crumb’ gevangen.
Regisseur Terry Zwigoff transformeert wat gemakkelijk een kruiperig en onderdanig portret had kunnen zijn – alleen interessant voor trouwe lezers uit Crumbs undergroundscene – in een eerlijk onderzoek naar de aard van creativiteit, en de band tussen de biografie van een kunstenaar en de onbehaaglijke kunst die daaruit voorkomt. Wanneer Zwigoff, zelf natuurlijk ook een kunstenaar, vraagt wat hij eigenlijk probeert te bereiken met zijn werk, kan Crumb nauwelijks een antwoord formuleren. Misschien omdat het antwoord te simpel is: hij tekent omdat hij niet anders kan. Zo laat Zwigoff zien hoe klein de afstand is tussen de man en zijn werk. Je loopt weg met een ongemakkelijk grin: mischien ben je wel preutser dan Crumb – maar niet eerlijker.
Sef Brouwers
Waardering: 4
Speciale vertoning: IDFA 1995
