De Nederlandse Cocaïnefabriek (2007)

Regie: Jeannette Groenendaal | 54 minuten | drama, korte film

Het begin van ‘De Nederlandse Cocaïnefabriek’ is prikkelend en experimenteel. Sfeervolle, nachtelijke shots van een gracht, een registratie van een inbraak, gevecht, en gijzelneming, weergegeven met korte sprongetjes tussen de serie statische beelden. Dan komt hoofdpersonage Arend lange tijd in beeld terwijl hij allerlei samenzweringstheorieën over de kijker heen strooit. Hoewel het vanaf de close-up van zijn op zijn computerscherm gerichte manische blik eigenlijk wel duidelijk is dat deze man op zijn minst lichtelijk paranoïde is, ben je de eerste minuut nog wel bereid met hem mee te gaan in zijn verhaal. Wanneer hij er echter van alles bij haalt en maar door bazelt gaat het al snel vervelen.

Inhoudelijk hoeft de kijker vanaf dit punt dus niets meer te investeren in wat er verteld wordt. Nu het toch met name om de persoon van Arend zal gaan, is het essentieel dat hij interesse opwekt bij de kijker: dat hij als persoonlijkheid boeiend genoeg is, of wordt gepresenteerd, om betrokkenheid te kunnen genereren. Dit blijkt helaas niet of nauwelijks het geval te zijn. De beste man is nauwelijks te verstaan en de humor in zijn verhalen of gedragingen is waarschijnlijk alleen voor hem zelf te begrijpen. Het is zodoende vooral een one man show geworden, waarbij de kijker wat machteloos vanaf de zijlijn toekijkt. Arend is helaas geen Herman Brood.

Gelukkig is de geschiedenis van de Nederlandse Cocaïnefabriek en de historie van het wijdverspreide gebruik van cocaïne in Nederland – als medicijn bijvoorbeeld – wel interessant. Eind negentiende en begin twintigste eeuw, toen de cocaïne nog legaal was, bleek Nederland de dominante handelaar in dit product te zijn op de wereldmarkt, voornamelijk importerend uit, en producerend in Java. Ook is het interessant wanneer er een paar mannen bij elkaar komen met het idee om deze handel weer nieuw leven in te blazen en te profiteren van het kwaliteitskeurmerk dat er schijnbaar nog steeds kleeft aan het Nederlandse product in deze wereld. Dat er hier gewoon over de mogelijkheden van het importeren van grote hoeveelheden cocaïne wordt gesproken – een gesprek waar Arend ook bij zit – voor de camera, is tamelijk fascinerend.

Toch blijft het gewoon bij wat stoere praat en wordt er verder weinig prikkelends gepresenteerd dat op deze weg verder gaat. De monologen van Arend, of een telefoongesprek dat hij in zijn tuin voert met een onbekende man zorgen er nu niet direct voor dat de kijker rechtop in zijn stoel gaat zitten. Wat wel een erg amusante scène is, is het moment dat Arend aan het eind van de film in een groot schuimbad ligt en dan terwijl hij een verhaal vertelt zichzelf afkapt en “cut” roept om het vervolgens in verbeterde versie te vertellen. Jeannette Groenendaal “cut” gelukkig niet en blijft gewoon doorfilmen, terwijl Arend zijn persoonlijke drugsfantasie beleeft, waarbij hij het schuim even aanziet voor hopen cocaïne. “Allemaal voor mij”, lacht hij het uit. Het zijn spannende, geïnspireerde momenten die helaas wat schaars zijn in Groenendaals film. De film had zowel experimenteler als substantiëler kunnen zijn. Nu is het een film die, afgezien van enkele oplevingen, helaas op geen van beide vlakken veel te zeggen heeft.

Bart Rietvink