De stem van het water (1966)

Regie: Bert Haanstra | 91 minuten | documentaire

Zo’n vijf minuten in de documentaire ‘De stem van het water’ vindt er een leuke referentie plaats naar Haanstra’s eigen korte film die de regisseur zestien jaar eerder maakte, te weten ‘Spiegel van Holland’. De voice-over begint de film met te vertellen dat er in Nederland al (te) vaak films over het water zijn gemaakt. En dan klinkt de stem: “En we zijn bepaald een beetje uitgekeken op de weerspiegelingen in de grachten van Amsterdam”, terwijl de kijker een rijtje weerspiegelde gevels ziet, alsof ze rechtstreeks uit Haanstra’s eerdere film komen.

De commentaarstem poogt met dit zelfbewustzijn de criticus zijn argumenten te ontnemen, en bovendien komt hij hier aan het einde van de film op terug door te zeggen dat de Nederlander nu eenmaal aan het water verbonden is, en er middenin zit. De ironie is echter dat juist de kunstzinnige beelden van Haanstra’s negen minuten durende ‘Spiegel van Holland’ nu nog niets aan filmische kracht hebben verloren, terwijl de inhoud van de ruim anderhalf uur durende ‘De stem van het water’ de kijker meestal tamelijk onverschillig zal laten. Het probleem is vaak dat de individuele stukjes zowel te kort als te lang zijn. Voor een bloemlezing van de relatie van de Nederlander met het water zijn ze vaak te lang, waardoor ze de film van vaart ontdoen. Als serieuze (sub)documenten zijn ze echter te kort, waardoor er niet echt de diepte opgezocht kan worden en de film zich meestal beperkt tot een serie commentaarloze beelden of een aantal anekdotes van specifieke beroepsgroepen.

Nu is het best aardig om over de ervaringen van palingvissers te horen, of te zien hoe fanatiek de deelnemers van een wedstrijd skûtsjesilen zijn, maar echt sneller gaat het bloed van de kijker hierdoor niet stromen. Helemaal niet wanneer een dergelijk relaas zo’n tien minuten duurt.

Dat is niet te zeggen dat ‘De stem van het water’ oninteressant is. De film heeft humor, een gevoel van nostalgie (door het zien van dijkbouwers, pikbroeken, en kinderen die een per boot arriverende Sinterklaas komen verwelkomen), en bevat prachtige beelden, van boten die te water worden gelaten en een opwindende reddingsactie op zee. Natuurlijk is er ook aandacht voor de watersnoodramp van 1953, waarvan door een overlevende persoonlijk getuige wordt gedaan. Altijd indrukwekkend. En wie kan het klassieke gedeelte vergeten met het bange jongetje dat tijdens de zwemles niet met zijn hoofd onder water durft? De niet al te fijnzinnige methodes van de zwemleraar en het beteuterde gezichtje van het kind zullen weinig kijkers onberoerd laten.

Dit laatste is waarschijnlijk het enige segment van de film dat de kijker écht bij zal blijven. Maar daar is niets mis mee. De rest van de film is zeker acceptabel te noemen. Als geheel bevat ‘De Stem van het Water’ echter te weinig pieken om een ongekwalificeerd succes te kunnen zijn.

Bart Rietvink