Don’t Come Knocking (2005)

Regie: Wim Wenders | 122 minuten | drama | Acteurs: Sam Shepard, Jessica Lange, Tim Roth, Gabriel Mann, Sarah Polley, Fairuzah Balk, Eve Marie Saint, Tom Farrell, Kurt Fuller

Hoewel zijn gloriedagen al een tijdje voorbij zijn, is Wim Wenders nog altijd een grote naam in de wereld van de cinema. De Duitse regisseur, die zijn films voornamelijk in Amerika laat situeren, weet nog steeds grote acteurs aan te trekken. Zo speelt in zijn laatste productie ‘Don’t Come Knocking’ een waar sterensemble mee. Oudjes als Eve Marie Saint, Jessica Lange en Sam Shepard, naast relatieve jonkies als Tim Roth, Gabriel Mann en Sarah Polley. Veel sterren dus en daarbij een script dat mede werd geschreven door gelauwerd toneelauteur Sam Shepard. Eigenlijk mag het dan een wonder heten dat ‘Don’t Come Knocking’ absoluut geen geslaagde film is geworden.

Het verhaal van ‘Don’t Come Knocking’ is al vele malen eerder verteld. Een overrijpe man die zijn dagen doorbrengt met vrouwen en verdovende middelen, komt weer tot leven als hij hoort dat er nog wat nageslacht van hem rondloopt, ergens. Dit nageslacht moet hem uit zijn geestelijke sluimer bevrijden en hij gaat dan ook gezwind op pad om het te leren kennen. Maar zijn zoon wil aanvankelijk niks van hem weten en van het bestaan van zijn dochter is hij überhaupt niet op de hoogte.

Dat een dergelijk verhaal al vaker is verteld, zoals in Wenders’ eigen meesterwerk ‘Paris, Texas’, zou op zich geen bezwaar moeten zijn. Maar dan dienen de belangrijkste personages wel te boeien. En dat doen ze hier niet echt. Een hoofdpersonage dat de hele film met een dwaze en gepijnigde uitdrukking op zijn gezicht en een cowboyhoed op zijn kop wat voor zich uit loopt te brommen, is niet iemand waarmee je je wilt identificeren. En aangezien het hoofdpersonage nauwelijks weet te boeien, weten zijn ontmoetingen met andere personen dat evenmin.
Hier komt nog bij dat het verhaal zich voortsleept in een slaapverwekkend tempo, zonder verrassingen, zonder emotioneel aangrijpende scènes en zonder dramatische spanning. De Engelse privé-detective Sutter, bedoeld als komische noot, is daarbij op een pijnlijke manier niet grappig. En zo strompelt en sukkelt ‘Don’t Come Knocking’ naar een climax, die dan weer zo gemakzuchtig is dat je hem onmiddellijk weer vergeet.

Wat de film dan nog enigszins dragelijk maakt zijn de acteerprestaties van Gabriel Mann en Sarah Polley als de kinderen van Howard Spence, alsmede de fraaie muziek en oogverblindende landschappen. Maar dat zijn slechts kleine lichtpuntjes in een diepe duisternis. Waar Wim Wenders met zijn vorige film ‘Land of Plenty’ weer op de weg terug leek, daar probeert hij met ‘Don’t Come Knocking’ tevergeefs op oude roem te teren. De vergelijking met ‘Paris, Texas’ is in dit geval onvermijdelijk, en tegen zijn eigen meesterwerken kan de oude Wenders allang niet meer concurreren.

Henny Wouters