Ever Since the World Ended (2001)

Regie: Calum Grant, Joshua Atesh Litle | 78 minuten | science fiction, documentaire

Het kan je zomaar overkomen: het einde van de wereld. De ene dag zit je nog aan een mojito te nippen naast het zwembad; om 24 uur en een paar bominslagen later de buurvrouw te bedreigen met een schroevendraaier om met een blikje bruine bonen aan de haal te kunnen gaan. En zeg dan niet dat Hollywood je niet had gewaarschuwd, want afgaande van recente kaskrakers zijn we slechts een kernaanval (‘The Book of Eli’), zombie-epidemie (‘The Crazies’), Maya-voorspelling (‘2012′) of gemuteerd verkoudheidsvirus (‘Carriers’) verwijderd van de val van de beschaving.

Zoals de naam al weggeeft, verhaalt ook ‘Ever Since The World Ended’ over het einde van de beschaving. De film schuift echter nadrukkelijk niet aan in het rijtje van miljoenenkostende apocalyptische sensatiefilms, maar probeert met in scène gezette interviews een realistisch beeld te schetsen van het leven van een van laatste groepjes mensen op aarde, nadat een virus heeft afgerekend met het overgrote deel van de wereldbevolking.

De film presenteert zich als een documentaire, maar heeft door een gebrek aan structuur meer weg van een homevideo. De hoofdpersonen trekken met een camera door de Amerikaanse stad San Francisco en kletsen over het leven na de pandemie met zowel overlevenden als jongeren die in de ‘nieuwe wereld’ zijn geboren. Helaas ogen de interviews weliswaar overtuigend, maar maakt een gebrek aan samenhang tussen de vraaggesprekken dat het kijken van de film nogal wat van de kijker vergt. Er zijn wel een aantal thema’s en morele vraagstukken die terugkeren, maar die zijn onvoldoende uitgewerkt om de aandacht vast te houden. De knullig ogende actiescènes die in het script zijn ondergebracht om het geheel wat kleur te geven, komen de kijkervaring ook niet ten goede.

In tegenstelling tot zo ongeveer alle andere als non-fictie vermomde fictie over het einde van de wereld, houden de makers er bovendien een wel erg rooskleurig beeld van de postapocalyptische wereld op na. San Francisco (inwonersaantal: 186) is omgetoverd tot een Centre Parcs-achtige gemeenschap waar onder meer bijen houden, survivaltochtjes, surfen en bioscoopbezoek tot de dagelijkse activiteiten behoren. Omdat er mede dankzij zonnepanelen voldoende stroom is om in alle gemakken te voorzien en men zelfs na twaalf jaar nog in brandnieuw ogende kleren rondloopt, heeft het laatste bastion van de mensheid meer weg van een vijfsterrenhotel dan van het veredelde massagraf dat het behoort te zijn: Je zou als kijker bijna gaan uitkijken naar het einde van de wereld. Een van de geïnterviewde tieners denkt er ook zo over: “Zo to horen hebben jullie geluk gehad. Jullie waren hard onderweg de aarde om zeep te helpen, maar de planeet heeft jullie gestopt,” oreert de puberende amateurfilosoof.

Helaas eindigt het gemoraliseer hier niet: ook georganiseerde religie en massamedia moeten het in de film ontgelden en worden gepresenteerd als symbolen van het morele verval van de mensheid. Dergelijk gepreek roept bij de kijker de vraag op wat voor de filmmakers prioriteit had: het schetsen van een realistisch beeld van de ondergang van de beschaving, of het aan de man brengen van een eigen levensfilosofie door aan hand van een postapocalytisch Utopia te laten zien hoe het allemaal beter kan.

Schrijver en regisseur Calum Grant is duidelijk een bedreven cineast, maar helaas voor de mensen die reikhalzend uitkeken naar ‘Ever Since The World Ended’ faalt hij volkomen als documentairemaker. Met een betrekkelijk klein budget, een sterke cast en prima dialogen weet hij overtuigende interviews op het scherm te toveren, maar slaagt er niet in om geheel aan elkaar te praten. Bovendien kan hij de verleiding niet weerstaan om San Francisco te laten voor wat het is en met diverse personages eindeloos te blijven terugblikken op de tekortkomingen van de ‘oude wereld’.

Tom van Leeuwen