Every Which Way But Loose (1978)

Regie: James Fargo | 110 minuten | komedie | Acteurs: Clint Eastwood, Sondra Locke, Geoffrey Lewis, Beverly DAngelo, Walter Barnes, George Chandler, Roy Jenson, James McEachin, Bill McKinney, William OConnell, John Quade, Dan Vadis, Gregory Walcott, Hank Worden, Ruth Gordon, Jerry Brutsche, Cary Michael Cheiffer, Janet Cole Notey, Sam Gilman, Chuck Hicks, Timothy P. Irvin, Billy Jackson, Joyce Jameson, Richard Jamison, Jeremy Joe Kronsberg, William Quinn, Bruce Scott, George P. Wilbur, Manis

Clint Eastwood als bokser? Moet kunnen. Maar als hevig verliefde boerenkinkel met een orang-oetang als beste vriend? Even wennen. De man die onder andere beroemd werd als “Dirty Harry” geeft zijn carrière met de komedie ‘Every Which Way But Loose’ een onverwachte wending, maar het uitstapje is geen voltreffer.

Om te beginnen is het verhaal mager, om het voorzichtig uit te drukken. Noeste autoreparateur Philo Beddoe (Eastwood) verdient een centje bij met illegale bokswedstrijden. Genoemd uitgangspunt is niet verkeerd, maar de karakters die het op Eastwood hebben voorzien en bijbehorende verhaallijnen zijn zo flauw dat er gaandeweg steeds minder te lachen valt.

Een stel nietsnutten op motoren en een tweetal agenten zit Eastwood op de huid. De achtervolgers zijn in het begin nog komisch, maar het geheel verzandt al snel in meligheid omdat de karakters zich niet ontwikkelen. Eastwood raakt in de tussentijd verliefd op countryzangeres Sondra Locke, met wie hij in werkelijkheid ook een relatie had, maar de liefdesperikelen boeien zelden.

Erg grappig daarentegen is de orang-oetang Clyde, die Eastwood’s beste vriend is. Hij is leuk, irritant, brutaal en dikwijls slimmer dan mensen om hem heen. Aantrekkelijk zijn ook de clandestiene knokpartijen die Eastwood uitvecht met lokale vechtersbazen. De boksmatches lijken op scènes uit ‘Rocky’. Zo neemt Eastwood het op tegen een zware jongen in een koelcel van een slachthuis, dezelfde plek waar Sylvester Stallone trainde in het eerste deel van ‘Rocky’.

Voorts maakt regisseur James Fargo, die eerder werkte met Eastwood in ‘The Enforcer’ uit 1976, veelvuldig gebruik van de handcamera. De techniek komt goed uit de verf, omdat het lijkt of jezelf in een knokpartij zit. Geinig is dat Eastwood speelt met zijn imago als koelbloedige actieheld. Zo wacht de motorbende hem op in een steeg en hoor je in de verte de melodie uit Eastwood’s grote doorbraak ‘The Good, the Bad, and the Ugly’ uit 1966.

De samenwerking met regisseur Fargo betekent een lichtvoetige verandering op de voorgaande jaren, waarin Eastwood de .357 Magnum eigenhandig op een voetstuk zette als oplossing voor hardnekkige criminelen. ‘Every Which Way’ speelt zich af in een milieu van cowboys, spijkerpakken en knokpartijen. Het gelijknamige titelnummer van ‘Every Which Way But Loose’ dekt de lading: Leuk gedaan, maar niet meer dan dat.

Robbert Bitter