Flandres (2006)

Regie: Bruno Dumont | 91 minuten | actie, drama | Acteurs: Adélaïde Leroux, Samuel Boidin, Henri Cretel, Jean-Marie Bruveart, David Poulain, Patrice Venant, David Legay, Inge Decaesteker

Wie niet bekend is met de films van Bruno Dumont en op grond van de samenvatting van de film een romantische oorlogsfilm verwacht kan van een erg koude kermis thuiskomen: liever dan de harten van zijn hoofdfiguren breekt Dumont die van de kijkers; met geweld. Een golf van verontwaardiging en afschuw kan je overkomen bij het radeloze gedrag van de Dumont-mensen, vaak haveloze boertjes uit het heuvelland net over de Frans-Belgische grens bij Ieper. In ‘Flandres’ lijken deze toch al beperkte lieden zelfs teruggeworpen naar de tijd van de wereldoorlogen, in een streek zo hopeloos aan het lot overgelaten dat alle mannen liefst naar het front vertrekken, al is dat anno 2006 een voor hen onbekend buitenland.

‘Flandres’ verhaalt van de incommunicatieve reus Demester (Samuel Boidin), die de week voordat hij naar een niet nader aangeduid Arabisch land wordt uitgezonden nog wat op zijn boerderij scharrelt, pinten drinkt met vrienden en zwijgend in het kreupelhout geslachtsgemeenschap heeft met buurmeisje Barbe (Adélaïde Leroux). Niet dat dat laatste ook maar iets op liefde lijkt: Barbe vraagt Demester of hij meekomt, laat haar wollen maillot tot op haar enkels zakken en de reus stemt zwijgend toe; wanneer Demester in het café weigert te erkennen dat hij en Barbe een stel zijn verdwijnt ze met de eerste de beste naar de achterbank van diens auto terwijl Demester zijn schouders ophaalt.

Geoefenden in het Dumont-kijken weten genoeg: zulk gedrag is voorbode van veel groter onheil. Clichés liggen zelfs op de loer in de Vlaamse fase van de film, die niet veel nieuws brengt ten opzichte van de plattelandsbespiegelingen in ‘s mans eerdere films, maar dan komt Dumont met een fabelachtig rauw verslag van de belevenissen van de groep soldaten in de woestijn – opgenomen in Tunesië, maar duidelijk verwijzend naar Irak en Afghanistan. Dumonts realisme, waarin alleen plaats is voor willekeur en geweld, werkt uitstekend in het filmdeel over de oorlog, dat zelfs documentaire allure heeft. Dumont lijkt als duider van de verhoudingen tussen Oost en West te wedijveren met Iñárritu in ‘Babel’ en dat zonder zijn visie af te hoeven zwakken. Het geweld is absoluut in Dumont’s wereldbeeld en de kale, onleefbare woestijn al even overgeleverd aan het determinisme als het Frans-Vlaamse platteland. Demester de soldaat is even afgestompt als de boer en lijkt elke mokerslag van de oorlog onverschillig te ondergaan; ondertussen geeft Barbe zich aan het thuisfront weg als een stuk vee, terwijl ze zwanger is en haar geestelijke toestand verslechtert.

Mensen zijn dieren, zo simpel lijkt het. Toch wil Dumont dit keer een sprankje hoop laten gloren. We verklappen niet op welke manier, maar het succes van deze koerswijziging ten opzichte van ‘L’Humanité’ en ‘Twentynine Palms’ is mede te danken aan de uitstekende Samuel Boidin, die vanaf minuut één een overtuigende Demester neerzet, die ondanks zijn eigen wandaden en die van anderen toch gevoel blijkt te hebben; misschien is dat nog wel verontrustender.

Jan-Kees Verschuure