History of the World: Part I (1981)

Regie: Mel Brooks | 92 minuten | komedie, geschiedenis | Acteurs: Mel Brooks, Dom DeLuise, Madeline Kahn, Harvey Korman, Cloris Leachman, Ron Carey, Gregory Hines, Pamela Stephenson, Shecky Greene, Sid Caesar, Mary-Margaret Humes, Orson Welles, Rudy De Luca, Leigh French, Richard Karron, Susette Carroll, Sammy Shore, J.J. Barry, Earl Finn, Suzanne Kent, Michael Champion, Howard Morris, Charlie Callas, Dena Dietrich, Paul Mazursky, Ron Clark, Jack Riley, Art Metrano, Diane Day, Henny Youngman, Hunter von Leer, Fritz Feld, Hugh M. Hefner, Pat McCormick, Barry Levinson, Sid Gould, Ronny Graham, Jim Steck, John Myhers, Lee Delano, Robert Goldberg, Alan U. Schwartz, Jay Burton, Robert Zappy, Ira Miller, Milt Freedman, Johnny Silver, Charles Thomas Murphy, Rod Haase, Eileen Saki, John Hurt, Henry Kaiser, Zale Kessler, Anthony Messina, Howard Mann, Sandy Helberg, Mitchell Bock, Gilbert Lee, Molly Basler, Deborah Dawes, Christine Dickinson, Lisa Sohm, Michele Drake, Jeana Tomasina, Lisa Welch, Janis Schmitt, Heidi Sorenson, Karen Morton, Kathy Collins, Lori Sutton, Lou Mulford

Aan de ene kant moet de humor van Mel Brooks, de maker van ongein als ‘Blazing Saddles’ en ‘Robin Hood: Men in Tights’, de kijker wellicht aanspreken. Maar aan de andere kant moet ook geconstateerd worden dat zijn ‘History of the World: Part 1′ gewoonweg ondermaats is. Brooks neemt een bloemlezing van de wereldgeschiedenis en gebruikt die als kapstop voor veelal flauwe grappen en enkele geïnspireerde, melige vondsten.

Hij begint, net als Kubrick in ‘2001: A Space Odyssey’, bij onze voorouders: de mensapen. In een verwijzing naar precies die film, en met ‘Also Sprach Zarathustra’ van Richard Strauss op de achtergrond, staan de apen langzaam op en gaan dan collectief een potje lopen krijsen en op hun kruizen lopen slaan met bewegingen die de indruk van masturbatie moeten wekken. Toch is deze prehistorische sequentie nog één van de meest geslaagde vignetten. Zo verhaalt commentaarstem Orson Welles over de geboorte van de eerste kunstenaar, gevolgd door, hoe kan het ook anders, de “nageboorte”, oftewel de (kunst)criticus, die we in een afkeurende daad over de grotschildering van eerdergenoemde heen zien urineren. Ook is het grappig om te zien hoe de eerste huwelijken ontstonden: een vrouw liep langs de grot van een holbewoner, deze sloeg haar knockout met zijn knuppel, en sleepte haar zijn grot in. Hoeveel scheidingen er destijds waren, wordt niet verteld.

Ook leuk is, in de sectie over het Romeinse Rijk, de uitkering voor gladiatoren, die eerst moeten doorgeven of ze de afgelopen week nog gedood hebben of geprobeerd hebben te doden voordat ze hun geld ontvangen. Het zijn zware tijden. Droog is het wanneer een Romeinse soldaat (Gregory Hines) op een slaaf afloopt die net een Romeinse burger heeft beledigd en vraagt of hij niet weet wat voor straf hierop staat. Waarop de nabij staande menigte enthousiast zijn retorische vraag probeert te beantwoorden. “Ja, jij had je hand het eerste omhoog.” -“Dood door marteling?”. “Nee,” antwoordt de soldaat. “Kruisiging?”. Nee. “Stoppen ze een levende slang in je kont?”, probeert een ander. “Nee,” zegt de soldaat, “maar dat is erg creatief.” -“Ze gooien je voor de leeuwen!”. Bingo, dat is het juiste antwoord.

Ondanks wat oplevingen is het gros van de grappen echter flauw, uitgemolken, of gewoon niet grappig. Gregory Hines die onderweg stopt om een joint van drie meter lang te draaien, om hiermee de Romeinse achtervolgers high te laten worden en af te schudden? Flauw en stereotiep. Caesar die loopt te boeren en zijn hulpjes die verwijfde homo-maniertjes vertonen. Niet shockerend en onleuk. En een paar keer is het misschien grappig om de koning van Frankrijk zijn hoofd in een diep décolleté te zien stoppen, waarna hij in de camera kijkt en zegt: “Het is goed om de koning te zijn”, maar het gaat snel vervelen. Een hoogtepuntje is nog wel een tamelijk hilarisch zang-en dansnummer van de Spaanse inquisitie, maar als geheel is Brooks’ geschiedenisoverzicht helaas te wisselvallig om langdurig te blijven boeien.

Bart Rietvink