Interview Nicolas Provost (‘The Invader’)

Rotterdam, Parkhotel, 31 januari 2012

Nicolas Provost is zichtbaar vermoeid door het hele perscircus wat rondom het IFFR plaatsvindt. Hij wil weer korte films maken, en niet dagenlang uitleggen wat de betekenis is achter verschillende scènes. Een lone wolf, zo is de Belg het beste te typeren, die af en toe met prachtige zinsneden strooit: ‘Ik probeer ruimte te vinden die ik in kan vullen met mijn poëzie.’

Met een accent en een zachte stem is de regisseur soms moeilijk te verstaan, maar af en toe veert hij op, en vergeet even dat hij er dagen op heeft zitten waarop hij veertien uur lang met interviews bezig was. Wanneer het over zijn eerste film ‘The Invader’ gaat bijvoorbeeld. Een debuut waarbij je moeilijk van een debuut kan spreken, want Provost maakte negentien korte films voordat hij een langspeelfilm maakte. Eindelijk, al moeten we zijn korte cinema niet als oefening zien, noch dat hij er niet klaar voor was. ‘Ik heb altijd een speelfilm willen maken,’ vertelt de Belg. ‘Van kleins af aan. Van jongs af aan. In plaats van naar de filmschool te gaan, ging ik naar de kunstacademie, een tijdje, om daar meer te leren over beeld en geluid. En zo ben ik als beeldend kunstenaar gaan werken, wetende dat ik ooit een lange film zou maken. Maar mijn korte films zijn allemaal werken op zich. De langspeelfilm staat daar apart van. En een tweede misschien over een jaar, of een paar jaar. Ik ben nu alweer bezig met een korte film voor een tentoonstelling, want daar leef ik van.’

Hoewel zijn speelfilmdebuut geliefd is bij veel mensen, bestaat er ook kritiek, waar Provost zich snel van ontdoet. ‘Er zijn mensen die zeggen dat ik meteen een tweede film moet maken, dat ik me moet haasten en het ijzer moet smeden terwijl het warm is, omdat ik nu een naam zou hebben – dat is onzin. Waarom? Voor die fameuze industrie die toch geen aandacht geeft aan de kunstfilm? Alles waar de massa naartoe gaat is mainstream. Er zit geen enkel auteurswerk ertussen. Mijn film is in België gedistribueerd geweest, en zeer goed ontvangen door alle soorten mensen, en hij is zeer toegankelijk, maar dan wordt er bepaald dat in tijden van financiële crisis de mensen niet naar zo’n film willen. Hallucinerend.’

Het is dus te begrijpen dat de Belgische regisseur – die een deel van zijn opleiding in Noorwegen genoot – zich momenteel focust op de wereld van de videokunst, een expertise waar Provost zich vaak een experimenteel filmmaker mag tonen. Ook ‘The Invader’ begint met fraaie en kunstzinnige beelden, hoewel het zich verder als een klassieke character-film ontwikkelt. Met een reden, meldt de regisseur: ‘Het is een vorm die weinig ruimte over laat voor andere dingen. Maar ik wil er natuurlijk van profiteren om de plaats te vinden voor magie. En ik vond het moeilijk om het in het midden van de film te doen of op het einde, maar ik kon makkelijk van de film een proloog maken en een soort abstracte credits sequence. Dat vond ik interessant om te laten zien: kijk, hier kom ik van; dit is mijn wereld, en nu gaan we naar een klassieke film. Want ik wil een film maken voor de massa. Ik heb dat ook bij mijn beeldend werk. Ik probeer vooral de massa aan te spreken. In mijn korte werk heb ik geleerd altijd te spelen met filmcodes en die abstraheren, en tegelijk zo klassiek mogelijk zijn. En de verhouding geluid-beeld op 50-50 houden. Net zoals Hitchcock, Kubrick en Lynch dat deden. Audio en video lopen parallel. Het is niet zo dat we eerst het beeld zien en daarna pas het geluid horen.’

De namen van grote regisseurs van langspeelfilms zijn genoemd, maar of hij zelf zo groot wil worden? Plannen voor zijn tweede lange werk zijn er nog niet. Provost: ‘Ik plan nooit. Het eerste wat ik nu plan is niet meer te plannen; om niet meer met een deadline te werken. Dat is heel zwaar. Werken voor een tentoonstelling, dat is heel zwaar, en dat wil ik niet meer. Ik probeer nu om hard te werken om een normaal leven te lijden.’ De deur helemaal dichtgooien doet de Belg niet. ‘Wanneer ze naar mij komen en me een scenario geven waarbij ik voel dat ik word meegenomen, waar ik lagen aan zou kunnen toevoegen, waardoor ik ook iets terugzie van het filmmedium zelf – dus het moet zichzelf een vraag stellen – dan zou ik het zeker doen.’ Een statement volgt dat na het interview nog nagalmt: ‘Elke filmmaker is op zoek naar een goed verhaal.’ Het lijkt bijna een uitnodiging te zijn.

Luuk Imhann