Köln 75 (2025)

Recensie Köln 75 CinemagazineRegie: Ido Fluk | 115 minuten | drama | Acteurs: Mala Emde, Susanne Wolff, John Magaro, Ulrich Tukur, Marie-Lou Sellem, Michael Chernus, Alexander Scheer, Enno Trebs, Shirin Lilly Eissa, Daniel Betts, Jördis Triebel, Leo Meier, Leon Blohm, Moritz Heidelbach, Michael del Coco, Gisela Walter, Uwe Preuss, Lea Draeger

Ido Fluks ‘Köln 75’ refereert in de titel wijselijk niet letterlijk aan jazzpianist Keith Jarrett (John Magaro) of ‘The Köln Concert’, diens legendarische concert waar een groot gedeelte van de film naartoe werkt. De film is namelijk veel breder ingestoken en wil naast het belichten van de aanloop naar dit evenement een beeld schetsen van het muzieklandschap in Duitsland en Keulen in die tijd en eigenlijk ook van de politieke, sociaal-economische situatie. Maar bovenal moet dit het verhaal zijn van tiener Vera Brandes (Mala Emde), die er – praktisch eigenhandig – voor heeft gezorgd dat Jarretts concert tot stand is gekomen. Dat is een behoorlijk volle agenda, maar ondanks wat gebrek aan richting kun je deze vlotte, interessante en sterk geacteerde film niets anders dan een succes noemen.


Vera Brandes’ eerste woorden toen regisseur Ido Fluk haar opzocht om over zijn project te praten waren ‘Waarom heeft het zo lang geduurd?’ Dit zal ongetwijfeld de reactie van de meeste kijkers zijn na het zien van deze film. Het feit dat de passie, talenten en het doorzettingsvermogen van dit achttienjarig meisje (indirect) verantwoordelijk waren voor dit wereldberoemde concert – en het bestverkopende solo piano-album aller tijden – is natuurlijk een waanzinnig verhaal dat erom smeekt om verteld te worden. Maar gek genoeg is hier in de geschiedschrijving nauwelijks aandacht voor geweest. Alsof het onder het tapijt is gemoffeld. Via deze film krijgt Vera eindelijk (op grote schaal) de eer die haar toekomt.


Want dit ene opmerkelijke gegeven is toch wat je als kijker het meeste bijblijft. Dat Vera het al voor elkaar krijgt om het operagebouw in Keulen te boeken voor een genre waar men op dat moment – zeker in deze setting – zijn neus voor ophaalde, is al heel wat, maar als daar vervolgens in plaats van de beloofde en machtige Bösendorfer Grand Imperial-concertvleugel alleen een krakkemikkige oefenvleugel staat, waarop Keith weigert te spelen, mag het een wonder heten dat Eva het toch voor elkaar heeft gekregen. Het zorgt, zeker in de laatste akte van de film, voor een opwindend stukje cinema.

Dat Jarrett zelf niet mee wilde werken aan de film en ook geen toestemming heeft gegeven voor het gebruiken van zijn muziek, is enigszins te betreuren, al wordt het nauwelijks gemist omdat de film feitelijk niet over hem gaat, maar over de jongedame die het allemaal mogelijk heeft gemaakt.

Tegelijkertijd is het natuurlijk wel belangrijk dat de kijker snapt waarom dit concert zo’n ‘big deal’ was; en zou worden. Dus moet de genialiteit van Jarrett en zijn manier van spelen nog wel even uitgelegd worden. Uiteraard wordt daarbij vaak genoemd dat hij met de grote Miles Davis heeft gespeeld (die hem maar liefst drie keer had gevraagd of hij met hem wilde spelen). Maar ook zijn improvisatiestijl, waarbij hij zich niet vasthoudt aan een standaard maar feitelijk speelt wat er in hem opkomt, wordt haarfijn uitgelegd door de (fictieve) muziekjournalist Mick Watts (Michael Chernus) terwijl hij recht in de camera kijkt en de kijker een soort muzieklesje geeft. Een tikkeltje neerbuigend en kort-door-de-bocht wellicht, maar het wordt wel – in grote lijnen – duidelijk wat het spel van Jarrett zo bijzonder maakt.

In principe had het aandeel van Jarrett hier kunnen stoppen, maar in plaats daarvan verplaatst de focus zich voor een groot deel van de film van Vera naar Keith, als we met hem in de auto meereizen van Lausanne naar Keulen, effectief in de schoenen geplaatst van de muziekjournalist Watts die een lift nodig heeft en gaandeweg een band krijgt met en meer te weten komt van Jarrett. Hoewel niet nodig als je kijkt naar het centrale doel of onderwerp van de film, is het een zeer welkom onderdeel van de film, niet in de laatste plaats door het fijne acteerwerk van Magaro, die een gepijnigde (figuurlijk én letterlijk, want hij kampte met rugpijn) en gesloten Keith neerzet die langzaam ontdooit en de kijker deelgenoot maakt van zijn blik op muziekmaken (en het leven). Het voelt als een voorrecht – en in zekere zin intiem – om hier met Jarrett tijd te mogen doorbrengen en een inkijkje in zijn leven te krijgen, een beetje zoals het hoofdpersonage in ‘Almost Famous’ getuige was van het (tour)leven van enkele van de grootste artiesten van de jaren zeventig.

Ergens is het jammer als je als kijker uit deze sfeer en beleving wordt getrokken en weer terug moet naar de ‘orde van de dag’. Maar het is logisch want er staat nog meer op het programma. En dat is ook deels het probleem: dat er zoveel afgevinkt moet worden. Op zich is het niet erg dat er twee personages na elkaar – of om en om – de spotlight krijgen; deze verhaallijnen kunnen elkaar juist versterken. Helemaal als je wilt laten zien, wat Fluks gedachte was, dat het leven van Vera zelf ook als jazz is; kortom, dat Vera ook al improviserend probeert tot een goed resultaat te komen of boven zichzelf uit te stijgen. En dat we daarnaast een beeld krijgen van haar passie (voor Jazz, muziekpromotie of desnoods het organiseren van evenementen). Dat had een mooi tweeluik kunnen worden, met mooie parallellen tussen deze twee improviserende, gedreven personages die elkaar bovendien vinden en uiteindelijk samen iets tot stand weten te brengen dat groter is dan henzelf; en daarnaast het toppunt is van hun improvisatieskills.

Maar zo’n film is het maar ten dele geworden, omdat we nooit echt een volledig beeld krijgen van waar het nu eigenlijk om draait voor Vera. Ze heeft een passie voor jazz, dat is duidelijk, maar daarnaast vecht ze tegen het ‘establishment’, het juk van haar kortzichtige vader en in algemene zin de patriarchie (zoals ze ook letterlijk in de film zegt). Misschien wil ze wel gewoon voorkomen dat ze net als haar vader tandarts moet worden (wat de consequentie is als ze een geleend geldbedrag niet terug kan betalen aan haar moeder). Al deze elementen vechten om aandacht in de eerste helft van de film, wat het prikkelende centrale gegeven van de film (de prestatie van Vera om het concert te realiseren) minder krachtig naar voren laat komen en zorgt voor een wat clichématige opeenvolging van scènes en momenten, die we al zo vaak hebben gezien. Ido Fluk wilde aan alle verhalen van Vera recht doen en deze in een soort geïmproviseerde vorm te gieten, geïnspireerd door John Coltrane die zei vaak in het midden te beginnen en dan tegelijk naar beide kanten toe te werken. Maar Fluk is geen Coltrane, zo blijkt. Soms is het verstandiger en krachtiger om een duidelijk thema en rode draad te hebben waar je naartoe of omheen kunt werken. Tenzij je, net als Jarrett, voor volledige improvisatie kiest. Maar er zijn maar weinigen die dat kunnen.

Gelukkig houdt Mala Emde haar personage vrijwel altijd boeiend met haar energieke spel en is de kijker op zijn minst bereid om te zien hoe het verhaal zich verder zal ontwikkelen en wat Vera allemaal zal doen en bedenken om het concert van Keith te laten plaatsvinden; helemaal als het steeds onwaarschijnlijker lijkt te worden dat het zal lukken. Het opwindende einde van de film weet de kijker weer aan het scherm te kluisteren, wat exact is waar je op hoopt. Daarbij heeft ‘Köln 75’ als twee grootste verdiensten dat elke kijker Vera’s bijdrage op waarde weet te schatten én dat velen na afloop niet zullen kunnen wachten om Keith Jarrett te (her)ontdekken en zijn muziek door hun installatie te laten schallen. Daar kunnen we Fluk dankbaar voor zijn; en dan nemen we de wat minder meeslepende elementen gerust voor lief.

Bart Rietvink

Waardering: 3

Speciale vertoning: Leiden International Film Festival 2025
Bioscooprelease: 20 november 2025