Le doulos (1962)

Regie: Jean-Pierre Melville | 108 minuten | misdaad, thriller | Acteurs: Jean-Paul Belmondo, Serge Reggiani, Jean Desailly, René Lefèvre, Marcel Cuvelier, Philippe March, Fabienne Dali, Monique Hennessy, Carl Studer, Christian Lude, Jacques De Leon, Jacques Léonard, Paulette Breil, Philippe Nahon, Charles Bayard, Charles Bayard, Charles Bouillaud, Michel Piccoli

In ‘Le doulos’ betreedt de Franse regisseur en Amerikaanse filmconnaisseur Jean-Pierre Melville wederom de eenzame en geheimzinnige wereld van mannen met jaren veertig hoeden en trenchcoats. Nog meer terneergeslagen dan in ‘Bob le flambeur’ (1956) zijn de collega’s in misdaad dief Maurice Faugal (Serge Reggiani) en informant Silien (Jean-Paul Belmondo) bikkelhard met als het echt moet een scherpe, cynische tong. Zonder schaamte toont Melville zijn voorliefde voor de Amerikaanse film noir, denk aan hoe Humphrey Bogart in ‘The Maltese Falcon’ (John Huston, 1941) en ‘The Big Sleep’ (Howard Hawks, 1946) zijn hoed en regenjas draagt, en geeft er de Franse slag aan, en meer, een eigen doorleefde beeldtaal waarin tijd samensmelt met de ruimte van het ongewisse, in de meeste gevallen noodlottige afloop.

Je duikt een schimmige wereld in die gevaarlijk dicht tegen de bovenwereld aanschurkt. De hoofdpersonen struinen er rond als Orpheus (Melville werkte meerdere keren met filmmaker en kunstenaar Jean Cocteau). De plot van ‘Le doulos’ nestelt zich in soms onnavolgbaar gedoe rond een verborgen schat bij een heler en hoe je weer aan de volgende klus komt. Evenals het verhaal (vertel dat maar eens na) is de wereld van Faugal en Silien bijna ondoordringbaar. In ieder geval schreeuwt het in stilte over diep verraad en eeuwige trouw tussen deze mannen en hoe deze twee waarden inwisselbaar zijn in een omgeving waarin de eerstvolgende klus om de harde knaken het enige is wat deze jagers nog een pols geeft.

Hoe realistisch het er ook uitziet, deze wereld van Melville is tegelijk zo ongrijpbaar dat het vrij weinig met die van de doorsnee burger te doen heeft. Zie bijvoorbeeld het nachtelijk tafereel bij de straatlamp waaronder meesterdief Faugal zijn buit begraaft. Melville bracht het zo gevoelig en tegelijk aftands in beeld dat het van een bedrieglijke schoonheid is. Plat zijn deze bovenaards mooie beelden nooit, wel zijn de situaties vaak eenzelvig, haast onmenselijk koel.

Voor ‘Le doulos’ lijkt er bovendien een andere Melville achter de camera te staan dan voor een film slechts een jaar eerder, ‘Léon Morin, prêtre’ (1961). In laatstgenoemde speelt Belmondo een priester voor Melville, in eerstgenoemde een professionele klikspaan voor de politie; beiden personages zijn in de biecht maar daar houden de overeenkomsten wel op. ‘Le doulos’ draait volledig om mannen die elkaar aftroeven in trouw dan wel verraad. Vrouwen zijn randfiguren en daarbovenop opportunistisch gemeen (ze moeten natuurlijk iets om in deze machowereld te overleven). In die zin drijft de Franse filmmaker steeds verder weg van een bepaalde emotionele gelaagdheid die spreken uit zijn niet-misdaadfilms. En hoe trouw hij ook aan het nauwgezette ritme van de meesterkraak ook, is hij in zijn latere periode in wezen op zijn meest romantisch. Eigenlijk romantiseert hij de misdaad op een bepaalde manier ook. Echter hij doet dit op zo’n eigenzinnige en intense manier dat de beelden op je netvlies gebrand blijven staan. Je ziet zijn invloed nog steeds in bioscoop. Onder meer Quentin Tarantino, Martin Scorsese en Michael Mann zijn groot fan en zo is de cirkel, zoals bij Sergio Leone, rond.

Keer op keer zou Melville ‘Le doulos’ opnieuw maken alsof de perfecte misdaad(film) bestaat. Zelfs in ‘L’armée des ombres’ (1969) lijkt het verzetsleven, waar hij zelf ooit onderdeel van was, op de universele tweestrijd tussen boef en politieagent. Zijn laatste film ‘Un flic’ (1972) met Alain Delon als een engel des doods had dus evengoed un escroc kunnen heten.

Roy van Landschoot

Waardering: 4

Bioscooprelease: 12 maart 1964