Ong-Bak (2004)

Regie: Prachya Pinkaew | 108 minuten | actie, thriller | Acteurs: Phanom Yeerum, Petchtai Wongkamlao, Pumwaree Yodkamol, Suchao Pongwilai, David Ismalone, Erik Markus Schuetz, Chatthapong Pantanaunkul

De laatste jaren zijn er verschillende Thaise films doorgedrongen tot internationale filmfestivals, waaronder dat van Rotterdam. Zo waren daar onlangs de zwarte komedie ‘6ixtynin9’, het hippe misdaadverhaal ‘Bangkok Dangerous’, en de westernparodie ‘Tears of the Black Tiger’. Nu is er dan ‘Ong-Bak’, een rasechte Thaise vechtfilm, die de nationale sport Muay Thai (thaiboksen) centraal stelt. Hoofdrolspeler Phanom Yeerum (acteursnaam “Tony Jaa”), die hiervoor enkel als stuntman te zien was in de film ‘Mortal Kombat: Annihilation’, is zelf met het idee voor de film gekomen en wist regisseur Prachya Prinkaew te interesseren voor het project.

In de film zien we een meer traditionele en gracieuze vorm van Muay Thai, “Muay Boran” genaamd. Deze sierlijke roots van de huidige vorm van Muay Thai worden vooral in het begin van de film goed duidelijk, wanneer Ting een demonstratie geeft van verschillende aanvallen en houdingen. De bewegingen hebben veel weg van Shaolin kung fu, waarbij (ook) veel inspiratie wordt gehaald uit het dierenrijk. Bewegingen met namen als “slang jaagt op gekko”, “vliegende vis”, en “vogel kijkt door het nest” passeren in het begin van de film de revue, en doen de toeschouwer alvast uitkijken naar de bijzondere confrontaties die ongetwijfeld zullen volgen.

In Bangkok komt Ting terecht in een plaatselijke ondergrondse vechtclub, waar hij bijna als bij toeval de ring inwandelt (hij wil zijn gestolen geld terugwinnen). Hoewel het een simplistische manier is om hem aan het vechten te krijgen, is de uitwerking verfrissend. In plaats van een uitvoerige vechtscène, zien we Ting die zijn tegenstander uitschakelt met één enkele trap naar het hoofd: bijzonder effectief.

Uitgebreid spektakel laat gelukkig ook niet lang op zich wachten. In een sequentie waarin George en Ting door een bende achterna worden gezeten krijgen we een aantal stunts te zien waar Jackie Chan jaloers op zou worden: salto’s en schroeven over eetstalletjes en tussen glasplaten door, een ontsnapping op de hoofden en schouders van Tings tegenstanders, breakdance-achtige trapbewegingen: je kijkt je ogen uit. En mocht je iets gemist hebben dan wordt het een keer of twee herhaald, vaak vanuit een andere hoek. Aanvankelijk is deze tactiek nog wel te waarderen, maar op een gegeven moment wordt het irritant: het trekt te veel de aandacht naar zichzelf toe. De stunts zijn echter indrukwekkend en de begeleidende muziek is een goede aanvulling op de actie. Door de opzwepende percussie krijg je bijna zelf de neiging om je in de gevechten te mengen.

De grote schurk van de film, een gangsterbaas en tevens organisator van gevechten, is een interessante verschijning. Hij zit in een rolstoel, heeft een tracheotomieholte in zijn nek en moet een apparaatje tegen zijn hals houden om zich verstaanbaar te kunnen maken (wat gek genoeg in zijn laatste scènes niet meer nodig lijkt te zijn). Ting moet natuurlijk eerst een robbertje vechten voordat hij deze figuur tegenkomt. De manier waarop hij nu aan het vechten wordt gebracht is minstens zo gekunsteld als voorheen: hij is eigenlijk op zoek naar crimineel Don, maar “moet” op een gegeven moment wel een herrieschopper bevechten, die een jongen uit het publiek bijna dood slaat. Ting wint en krijgt vervolgens een hele reeks kleurrijke tegenstanders voorgeschoteld om tot moes te slaan.

De vechtscènes zijn bruut maar over het algemeen indrukwekkend, waarbij de Muay Boran-stijl terug te vinden is in de lange stoten en soms lage vechtpositie. Toch vindt er enige demystificatie van zijn vechtkunst plaats, aangezien de beloftes van het begin van de film nooit echt volledig worden waargemaakt. Hoe spectaculair de gevechten ook zijn, er bekruipt je het gevoel dat er meer variatie in had kunnen zitten. Te vaak ligt de nadruk op knietjes en elleboogjes. In het finalegevecht in een grot komt er wel weer wat meer variatie in en zien we ook enkele dierlijke Muay Boran-bewegingen terug zoals getoond in het begin van de film, maar het was leuk geweest als deze afwisseling al wat eerder aanwezig was geweest.

De dramatische ontwikkeling van de personages (waar deze al aanwezig is) is niet geheel succesvol. Zo is Georges uiteindelijke bezieling en emotionele speech niet voldoende onderbouwd om geloofwaardig te zijn en heeft daarom niet de gewenste uitwerking. Iets meer logica of inhoud zou aardig zijn geweest. Dit geldt ook voor de plot zelf.

Alle kritiekpunten ten spijt is het toch een vrij geslaagde vechtfilm geworden. Als je de film accepteert als een aaneenschakeling van indrukwekkende actiescènes valt er weinig op af te dingen. Het is een verademing om eens een “nieuwe” vechtsport op het witte doek te zien en het is zonder meer duidelijk geworden dat Muay Thai visueel aantrekkelijk kan zijn; zoveel heeft regisseur Pinkaew, samen natuurlijk met zijn grote ster Phanom Yeerum (of Tony Jaa), in ieder geval bewezen. Met deze film laat Thailand zien ook op het gebied van martial arts films mee te tellen.

Bart Rietvink