Opera Jawa (2007)

Regie: Garin Nugroho | 120 minuten | drama, romantiek, musical | Acteurs: Artika Sari Devi, Martinus Miroto, Eko Supriyanto, Retno Maruti, Slamet Gundono, Nyoman Sura, Jecko Siompo

‘Opera Jawa’ is een gewaagd nieuw project van veteraan Garin Nugroho. Het is de eerste Javaanse opera. Een prachtig uitziende film waarin louter gezongen wordt in traditionele Indonesische stijl, gamelan genaamd. Het hart van de film, afkomstig uit het hindoeïstische epos Ramayana, draait om een driehoeksverhouding die gedoemd is tragisch af te lopen. Net als in zovele opera’s loopt dit soort situaties slecht af. Net als in Bizets Carmen wordt duidelijk dat jaloezie zo’n sterke emotie is, dat het in staat is gevoelens van mededogen en liefde volkomen te overstemmen. Tussen de regels door wordt er nog wat gezegd over geweldsdaden in de Indonesische geschiedenis, maar dit komt niet allemaal even organisch over. Het centrale verhaal zelf blijft dan over, dat schitterend is vormgegeven middels veel symboliek – zowel in objecten als dansbewegingen – maar dat de aandacht van de kijker niet altijd weet vast te houden.

De vorm fascineert vanaf het begin, wanneer Siti door een groep mannen onder een laken – als een Chinese draak – wordt “aangevallen”. De voorste man is getooid met een kegelvormige rieten mand, die aan het einde van de lustvolle aanval door Siti over haar bord eten wordt gezet. Eten wordt vervangen door lust en liefde als levensbrandstof. Zolang deze liefde haar man Setyo betreft is er niets aan de hand, maar wanneer Ludiro tussenbeide komt, heb je de poppen aan het dansen. Vrij letterlijk ook, want de machtige Ludiro verlangt van Siti dat ze (weer) gaat dansen, een activiteit die ze had afgezworen omdat ze voor de liefde van haar man had gekozen. De dansvorm heeft dus een sterk verleidende, erotische functie. Dans wordt ook in de film omschreven als “een lichaam dat leeft”.

En juist de verleidende, erotische scènes zijn de meest interessante van de film. De openingsaanval op Siti’s seksualiteit wordt op verschillende manieren overgedaan. Een gedenkwaardige scène is die waarin Siti in een spiraalvormig doolhof van kokosnoten ingesloten wordt door mannen met van diezelfde kegelvormige manden over hun lichaam, waarschijnlijk symbool staand voor lust en begeerte. En Siti die hier niet aan kan ontsnappen. Het werkelijke keerpunt vindt plaats in de slaapkamer van Siti en Setyo, wanneer Siti met Setyo probeert te vrijen maar wordt afgewezen. Dan is de deur – vrij letterlijk – geopend voor Ludiro, die snel de kamer binnensluipt en onder de rok van Siti verdwijnt in wederom een expressieve danssequentie.

De muziek is wellicht voor de Westerse kijker even wennen, en onthult zodoende pas na enige tijd tekenen van diversiteit en dynamiek, maar wanneer er eenmaal met de gamelanstijl is kennisgemaakt, boeit het als iedere andere muzieksoort. Daarnaast is het verhaal zelf klassiek en herkenbaar genoeg om de kijker aan de film te binden. Het verhaal is in letterlijke hoofdstukken ingedeeld, die voor iedere belangrijke dansscène in tekst in beeld verschijnen. Dit is ergens jammer, omdat het de toeschouwer een passiever maakt dan wanneer deze zelf de betekenis en achtergrond uit de dansen zou moeten destilleren. Het is nu toch een beetje een droge oplepeling van verhaalonderdelen, hoe fascinerend deze ook vervolgens worden uitgebeeld.

Kortom, ‘Opera Jawa’ is een genot voor het oog en oor, maar is qua verhaal en historische achtergrond wat minder sprekend. Voor liefhebbers van de dansvorm, Indonesische kunst en cultuur en symbolisch weergegeven, tragische liefdesverhalen, is ‘Opera Jawa’ zeer zeker een aanrader. Niet op ieder vlak even bevredigend of toegankelijk, wellicht, maar desalniettemin een audiovisueel kunststukje.

Bart Rietvink