Paradise Girls (2004)

Regie: Fow Pyng Hu | 96 minuten | drama | Acteurs: Kei Katayama, Eveline Wu, Jo Koo, Guido Pollemans, A.C. Chang, Yiu Chi Kwan

Deze drie verhalen verteld tijdens het wachten op je Chinese rijsttafel zouden nog best kunnen amuseren, maar het anderhalf uur moeten aanzien, is een ware beproeving. Het enige waar Hu werkelijk in slaagt is de alom vertegenwoordigde leegte neer te zetten die deze jonge twintigers omringt. De leegte zit in de kille ‘peeskamer’, de (on)zinnen, de uitdrukkingsloze gezichten, maar bovenal in de pruillipjes. En met dit theatraal tentoonspreiden van zelfmedelijden, geholpen door de minuscule uitwerking van de karakters, ontneemt Hu de kijker ook nog de mogelijkheid zich in de karakters in te leven.

De drie vrouwen, die allemaal van Aziatische origine zijn, hebben in de film(pjes) geen omgang met elkaar. Voor de vorm en om het verhaal rond te laten lijken, heeft Hu zijn dames aan het begin en het einde van het drieluik samen op hetzelfde Thaise strand gezet, wat vooral gestileerd overkomt. Verder is hetgeen dat de vrouwen meemaken niet leuk, maar het is ook niet zo schokkend dat er een goed drama omheen te bouwen is. Slechts de laatste in de rij, Shirley (Jo Koo), kan op enige sympathie rekenen. Zij is een alleenstaande moeder die freelance werkt als fotomodel in Hongkong. Tijdens deze opdrachten zorgt haar buurvrouw (Yiu Chi Kwan) voor haar zoontje Lok Lok die een ernstige hartafwijking heeft. Hij zal hieraan sterven als hij niet snel geopereerd wordt, maar voor de operatie heeft Shirley veel geld nodig. Op zich een dramatisch gegeven, maar erg spannend wordt het allemaal niet. Voor het geld klopt ze aan bij de steenrijke oom van haar buurvrouw, waarvan ze vrij gemakkelijk het geld meekrijgt, zodat de operatie door kan gaan.

Slaapverwekkend is het verhaal van de Japanse spring-in-het-veld Miki (Kei Katayama) die haar Nederlandse vakantieliefje achterna reist naar het kikkerland aan de andere kant van haar wereld. Haar vriend Benny (Guido Pollemans), waar al het leven uit lijkt te zijn gezogen, breekt de nacht na haar aankomst meteen haar dreinende naïeve hartje. De volgende dag vertrekt ze alweer uit zijn leven.

De tweede film speelt zich af binnen de Chinese gemeenschap in Nederland. De voorliefde voor het gokken en de karaoke komen ruim aan bod, maar het verhaal is uiterst onbevredigend. Een Chinese eigenaar van een snackbar (A.C. Chang) gaat naar een Hollandse kapster, die hem onmiddellijk in zijn oor knipt. Hij laat zich verder nog wel door haar knippen en betaalt daarvoor, maar zijn dochter Pei Pei (Eveline Wu) wil later zijn geld terug zien te krijgen. En dan wordt een waar stukje schooltheater voorgedragen tussen de kapster en Pei Pei. Maar eigenlijk overstijgt veel van het acteerwerk dit niveau niet. De film doet vooral denken aan een schoolopdracht van de tweede schooljaar dramaturgie, uitgevoerd door een paar goede vrienden met een videocamera. Het ergste is nog wel dat dit niet zo is. Er is maar liefst 1,2 miljoen euro voor dit project vrijgemaakt, terwijl de film diepgang mist en de samenhang heeft van een Titanic. Werkelijk een Titanic, want Hu’s basisidee is een mooie, maar die noemt hij nergens. In een interview legt hij uit: “Volgens Confucius volgt ‘een goede vrouw’ als ze jong is haar vader, als ze getrouwd is haar man en als haar man is overleden haar zoon.” Deze uitleg erbij had de film nog enige impact en inzicht kunnen geven, maar nu vaart de crew regelrecht tegen die ijsschots en trekt de kijker mee de koude, diepe leegte in.

Saskia Bruins