Singin’ in the Rain (1952)

Regie: Stanley Donen, Gene Kelly | 99 minuten | komedie, romantiek, musical | Acteurs: Gene Kelly, Donald O’Connor, Debbie Reynolds, Jean Hagen, Cyd Charisse, Millard Mitchell, Douglas Fowley, Rita Moreno

De liefhebber van musicals zal zich bij het kijken naar ‘Singin’ in the Rain’ voelen als een kind in een snoepwinkel. De vele zang- en dansnummers zijn onvergetelijk in hun romantiek, sensualiteit, humor, uitbundigheid, en simpelweg in hun vakmanschap. De dansnummers alleen al maken de film de moeite waard, maar er valt nog meer te genieten.

Zo krijg je tijdens de film een stukje wezenlijke filmgeschiedenis te zien, namelijk de overgang van de stille film naar de geluidsfilm, destijds ook wel “talkie” genoemd. We zien de tegenstand die de ontwikkeling opriep, en de moeilijkheden die de geluidsopnames veroorzaakten. De filmwereld van de jaren twintig wordt op een amusante manier getoond; constant met een knipoog. In één van de grappigste scènes in de film zien we hoe Dina, de oppervlakkige, onsympathieke tegenspeelster van Don, moeite heeft met het in de microfoon praten, waarop deze steeds op een andere plek wordt bevestigd: in een plant, op haar borst, op haar schouder. Dit tot afgrijzen van de degene die het geluid opneemt (en beluistert) in een aparte geluidscabine. Daar komt bij dat Dina een tenenkrommende stem heeft, en dus uitermate ongeschikt is voor de geluidsfilm, wat weer vele mogelijkheden voor komische scènes biedt.

De humor is een sterk punt van de film. Naast het slimme, ironische script zijn de goede vertolkingen hier verantwoordelijk voor. Jean Hagen is hilarisch als de simpele, op uiterlijkheden gerichte feeks Dina, maar ook Debbie Reynolds als Kathy en Donald O’Connor als Cosmo dragen hun steentje bij. Ze hebben allebei een totaal eigen karakter en (komische) wisselwerking met Kelly, die het indrukwekkende middelpunt is van de film.

Het (liefdes)verhaaltje zelf is vrij mager, maar dit mag de pret niet drukken. Het zijn de dans- en zangnummers die centraal staan, en de film uiteindelijk zijn grote kracht geven. Afgezien van het nummer ‘Beautiful Girl’, dat wat statisch is en de vaart uit de film haalt, zijn de nummers allemaal succesvol. De energie en inventiviteit die eruit spreken doen je je ogen uitkijken en geven je het idee dat je er zelf aan deelneemt.

Er is het nummer “Make ’em laugh” – dat eigenlijk een nieuwe versie is van Cole Porters “Be a clown” -, waarin Donald O’Connor’s acrobatiek en mimiek zo elastisch zijn dat je het gevoel hebt dat je naar een tekenfilmfiguur (van Chuck Jones) zit te kijken. Hij loopt tegen muren op en maakt er salto’s van af; ook kan hij zijn gezicht plooien op manieren waar Jim Carrey bijna jaloers op zou worden. Er komt ook een uitgebreide sequentie in voor die uitbeeldt hoe een gedeelte van de film (in de film) eruit zou gaan zien. Kelly speelt hier een beginnende danser die het wil maken op Broadway en steeds succesvoller wordt. Op een gegeven moment komt hij een gangsterliefje (Cyd Charisse) tegen, met wie hij een prikkelende dans uitvoert. De scène is door het filmblad Empire terecht als één van de meest sexy momenten uit de filmgeschiedenis genoemd. En dan is daar natuurlijk het titelnummer “Singin’ in the Rain”, dat niet voor niets zo beroemd is. Prachtig gefilmd, gechoreografeerd, uitgevoerd, en bovendien is het inhoudelijk geloofwaardig en weerspiegelt het een stemming waarin we ons allemaal wel eens (willen) bevinden. Het onbezorgd en vrolijk rondspetteren in plassen is iets wat we waarschijnlijk graag eens zouden willen doen, maar waar volwassenen zich normaal gesproken niet aan wagen.

Als cynicus heb je weinig te zoeken bij deze film – zoete, romantische, en overdadig gelukkige scènes zijn namelijk meer regel dan uitzondering – maar als je daarentegen wel open staat voor een portie vrolijkheid en romantiek, en daarnaast een interessant inkijkje wilt hebben in de filmwereld van eind jaren twintig, dan is dit gezang in de regen een absolute aanrader.

Bart Rietvink