South Park: Bigger, Longer & Uncut (1999)

Regie: Trey Parker | 81 minuten | komedie, animatie, musical | Originele stemmencast: Trey Parker, Matt Stone, George Clooney, Isaac Hayes, Eric Idle, Mary Kay Bergman, Jesse Howell, Anthony Cross-Thomas, Franchesca Clifford, Bruce Howell, Deb Adair, Jennifer Howell, Brent Spiner, Minnie Driver, Dave Foley    

Vergeet ‘The Sound of Music’, ‘My Fair Lady’, of geanimeerde musicals als ‘The Beauty and the Beast’. Er is een revolutie begonnen in de musicalwereld. Nee, het gaat hier niet over het postmoderne ‘Moulin Rouge’, maar over de animatiefilm ‘South Park: Bigger, Longer & Uncut’, die draait om de belevenissen van enkele kinderen in het “rustige, bekrompen bergdorpje” South Park, zoals de hoofdfiguren hun woonplaats zelf typeren in het vrolijke openingsnummer.

Ja, u hoort het goed, mensen: de filmversie van de populaire South Park-serie heeft de vorm gekregen van een musical. Dit moet een grap zijn natuurlijk, aangezien de vuilspuiende inwoners van South Park niet passen in zo’n vrolijke, zoete musicalstructuur. Toch valt het satirische gehalte van veel van de liedjes tegen, en begint het er verdacht veel op te lijken dat de makers gewoon dol zijn op musicals. Het openingsliedje slaagt nog wel in het op de hak nemen van dit soort films. Het personage Stan loopt vrolijk zingend door zijn dorpje, terwijl de hertjes en vogeltjes om hem heen delen in zijn vreugde. In dit nummer worden ook zijn vrienden op een grappige manier aan ons voorgesteld (en zien we bijvoorbeeld hoe Kenny er zonder zijn insnoerende capuchon uitziet). Dit liedje zet op een aardige manier de toon voor de film (al wordt het allemaal nog veel extremer).

De satire wordt hier alleen soms te erg uitgesproken, en is hierdoor minder effectief. Als we Cartman en zijn vrienden over een zwerver zien stappen hebben we niet de verbale toevoeging nodig: “you see homeless people, but you just don’t care”. Door de grap expliciet te verwoorden wordt deze minder scherp. Hetzelfde geldt voor de opmerking: “the movies teach us what the parents don’t have time to say”. Een indirecte verwoording of verbeelding zou hier beter hebben gewerkt.

Maar het is misschien wat flauw om South Park van gebrek aan subtiliteit te beschuldigen. South Park is bot en grof, en is er trots op. De film biedt wat dat betreft mogelijkheden die er in de serie niet zijn. Er worden zo’n tweehonderd obscene uitspraken gedaan binnen de speeltijd van een kleine tachtig minuten. Menige beroemdheid, bevolkingsgroep of instantie wordt onder handen genomen, en het begrip “poep- en plashumor” krijgt een hele nieuwe betekenis door Terrance en Phillip, de Canadese hoofdrolspelers uit de film “Asses of Fire”.

Deze grofheid werkt meestal heel goed, al moet je voor sommige grappen in de stemming zijn of eerst over een bepaald punt van exces heen (als iets grofs maar vaak genoeg wordt herhaald of op een erg overdreven manier wordt gepresenteerd wordt het soms vanzelf grappig). Er zitten leuke grappen in (zoals het bombarderen van de Baldwins), maar het is toch vooral de botte, karakteristieke manier waarop de bekende personages zich gedragen en met elkaar omgaan wat de film de moeite waard maakt. En zo hoort het ook: de film moet gaan over de eigenzinnige inwoners van dit bekrompen dorpje; in het bijzonder over Kyle, Stan, Cartman, en Kenny. Daarom is het jammer dat er te vaak wordt afgeweken naar subverhaaltjes, oninteressante personages of muzikale intermezzo’s die niet voldoende grappig zijn of niet weten te boeien. Het lied “Up There” van Satan is bijvoorbeeld in eerste instantie een aardige parodie op soortgelijke Disneysongs, maar het gaat te lang door. Meer dan de helft van de liedjes is oninteressant en houdt het verhaal alleen maar op. Hetzelfde geldt voor het hele gedeelte dat zich afspeelt bij het homoseksuele stel Satan en Saddam Hoessein, en de (voorbereiding van de) kruistocht tegen Canada door de boze moeders.

Gelukkig zit er over het algemeen genoeg humor in om de aandacht erbij te kunnen houden (de eerste twintig minuten vormen al een goede binnenkomer). De typische animatiestijl blijft amusant (en wordt in de film zelf op een droge manier op de hak genomen), en de kostelijke stemmen van het illustere viertal (en vele andere personages) dragen al heel veel humor in zich. Het is alleen spijtig dat de makers niet genoeg op de kracht van hun eigen personages vertrouwen en er te veel toeters en bellen bijhalen om het “episch” te maken. Desalniettemin zullen de fans zich niet vervelen.

Bart Rietvink