The Big Boss – Tang shan da xiong (1972)

Regie: Lo Wei | 96 minuten | actie, drama, romantiek, misdaad | Acteurs: Bruce Lee, Maria Yi, James Tien, Yin-Chieh Han, Malalene, Tony Liu, Quin Lee, Nora Miao, San Chin, Chao Chen, Chia Ching Tu, Tso Chen, Lung Chan, Hui-yi Chen, Pu San Cheung, Ching-Ying Lam, Kwan Lee, Gam Saan, Cheng Ying Tu    

Iedere Bruce Lee-fan moet ‘m gezien hebben: ‘The Big Boss’. Dit is de film waar het allemaal mee begon. De film lanceerde Lee als martial arts-ster en betekende een grote vlucht voor het gehele genre. Het was de eerste film van Lee sinds zijn terugkeer naar Hong Kong vanuit de Verenigde Staten, waar hij als Kato acteerde in de serie‘The Green Hornet’ (en waar Tarantino later nog de maskertjes van hergebruikte voor ‘Kill Bill’). ‘The Big Boss’ sloeg in als een bom en trok overal volle zalen. Om al deze redenen kan ‘The Big Boss’ beschouwd worden als een klassieker, al betekent dit niet dat de film een meesterwerk is, of de beste film uit Lee’s oeuvre. Maar gelukkig is de aanwezigheid van Lee al genoeg om de film interessant te maken.

Nee, Bruce Lee zelf valt niets te verwijten. Het charisma van de man is onmiskenbaar; zelfs als hij geen klappen uitdeelt weet hij de aandacht naar zich toe te trekken. En dat is in deze film erg belangrijk omdat hij de eerste veertig minuten niet aan vechten toekomt. Dat wil zeggen, hij krijgt wel met bendes te maken, maar vanwege een belofte aan zijn moeder – gesymboliseerd door een ketting om zijn nek – mag hij zich hier niet in mengen. Door Lee’s grimassen, intimiderende gezichtsuitdrukkingen, en lichaamstaal is hij eigenlijk een perfecte acteur voor een stille film.

Toch kun je een Bruce Lee-film niet al te lang laten verlopen zonder een gevecht van de man in kwestie. Het uitrekken van dit moment moet waarschijnlijk spanning opwekken, maar dit werkt maar ten dele. Dit komt onder meer omdat Cheng (Lee) en broer Hsu eigenlijk nauwelijks écht in de problemen komen. Hsu kan het lange tijd prima in zijn eentje af. Cheng wil wel meedoen, maar haalt dan weer even de ketting tevoorschijn, wat begeleid gaat door een lief speeldoosmuziekje, waarna hij zich toch weer inhoudt. Het is alsof de filmmakers denken dat de toeschouwer zijn belofte al snel vergeten is en even een visuele aanwijzing nodig hebben. Grappig is het in ieder geval wel.  De film heeft veel met rekwisieten. Naast de ketting van Cheng is ook de vogelkooi in de handen van de “big boss” zelf een terugkerend object. Wanneer Cheng hem opzoekt voor het beslissende gevecht, figureert de kooi op amusante wijze. De schurk heeft hem in zijn hand en gooit hem met een welgemikte worp aan de tak van  een boom, klaar om met het gevecht te beginnen.  Vervolgens gooit Cheng een tak tegen de kooi, waardoor het ding op de grond open valt en het vogeltje eruit kan ontsnappen. Zeer waarschijnlijk symbolisch voor de geknechte arbeiders die de rijke baas en zijn manager vrij dienen te laten. Ook is de zak koekjes waaruit hij aan het eten is, wanneer Cheng aankomt op het landgoed van de “big boss” een leuk dramatisch object, dat voor een quasi-nonchalant effect zorgt.

Maar gelukkig wordt er ook gevochten. Eerst door Hsu met willekeurig tuig – wat er niet slecht uit ziet, maar niet kan tippen aan Lee’s spektakel – maar later helpt Cheng ook mee, wanneer zijn ketting wordt gebroken en de maat vol is. En dan zien we de Bruce Lee die we allemaal kennen. De lenige sprongen, de razendsnelle trappen en stoten, de korte, dierlijke gilletjes die hij uitslaat bij een stoot of trap, het theatraal proeven van zijn eigen bloed na een verwonding, de explosieve gezichtsuitdrukking vlak voor een belangrijk gevecht. Het is alleen jammer dat er zo weinig door Lee zelf gevochten wordt. Eigenlijk zitten er maar drie vechtsequenties met hem in de film, en duurt het vrij lang voordat hij een klap uitdeelt.

Het verhaal en de personages zijn weinig memorabel, dramatische subplotjes blijven onuitgewerkt, en het acteerwerk is doorgaans belabberd, maar met een beetje goede wil kun je de dramatische inslag prijzen, en er wellicht een interessante politieke ondertoon in zien (net als in Eisensteins communistische pamflet over de muitende matrozen, ‘Battleship Potemkin’). Ook onderscheidt de film zich van het standaard vechtmateriaal door vrij extreem geweld en een zinloze naaktscène. Al met al zal het de meeste kijkers echter toch om de vechtscènes te doen zijn en Lee’s “screen presence”. Deze elementen, gecombineerd met het onbedoeld komisch gehalte van het acteerwerk, de cheesy jaren zeventig muziek, dialoog, en plotwendingen, zorgen er voor dat er, ook nu nog, voldoende te genieten valt in Bruce Lee’s grote doorbraak ‘The Big Boss’. Voor de liefhebber, wel te verstaan.

Bart Rietvink