The Circus (1928)

Regie: Charles Chaplin | 69 minuten | komedie, romantiek | Acteurs: Al Ernest Garcia, Merna Kennedy, Harry Crocker, George Davis, Henry Bergman, Tiny Sandford, John Rand, Steve Murphy, Charles Chaplin, Albert Austin, Charles A. Bachman, Eugene Barry, Jack Bernard, Stanley Blystone, Heinie Conklin, Bill Knight, Toraichi Kono, H.L. Kyle, Betty Morrissey, L.J. O’Connor, Jack P. Pierce, Hugh Saxon, Armand Triller, Max Tyron

‘The Circus’, gemaakt tussen de wereldberoemde Chaplinfilms ‘The Gold Rush’ en ‘City Lights’ in, is nauwelijks bekend bij het grote publiek, maar is geenszins een matige film. Het verhaal is wellicht niet zo veelzijdig als in zijn als meesterwerken beschouwde films, en er wordt niet van een veelheid aan locaties gebruik gemaakt, maar de komische situaties werken uitstekend in ‘The Circus’ en de context en onderwerp van het verhaal dragen ook nog een lichte zelfreflexieve laag in zich. Kortom, reden genoeg om ‘The Circus’ uit het verdomhokje te halen waar de film toch een beetje in terecht is gekomen.

Vrijwel de gehele film speelt zich af in en om het circus uit de titel en gaat over de effectiviteit van humor of komedie. Als zodanig is het een rechtstreekse blik op het beroep of de kwaliteiten van Chaplin zelf. Zoals Chaplins personage in de film ondervindt, is hij alleen grappig als hij gewoon zichzelf is. Wanneer hij grappig gaat doen, gaat het mis. Dan wordt het namelijk te gemaakt. Het moet natuurlijk komen, bijna ongemerkt. Daarom is het niet alleen voor de financiën van de circusdirecteur belangrijk dat de Tramp niet in de gaten heeft dat hij de ster van de show is, en niet alleen van nut is als materiaalman, maar ook voor de kwaliteit van de humor. Want zodra hij op de hoogte wordt gebracht van zijn status, lacht er niemand meer. Dus, moet hij bij de droge, onkomische clowns in de leer gaan om hun routines uit zijn hoofd te leren. En hier wordt weer duidelijk dat zijn natuurlijke, spontane chaos veel aantrekkelijker is dan ingestudeerde sketches. Wanneer hij de appel in een Wilhelm Tell-kunstje opeet, besluit hij maar om een banaan op zijn hoofd te leggen. Als het maar een stuk fruit is, toch? Het leukst blijken toch de momenten waarop hij achterna wordt gezeten wordt of in gevaar is. In het circus verstoort hij een magie-act op meesterlijke wijze door in een verdwijnact met een dame steeds haar plaats in te nemen en omgekeerd. Dus wanneer hij op een stoel onder een laken is verschenen en de hem achtervolgende agent hem even later met zijn knuppel slaat, blijkt zijn plaats toch ineens weer door de vrouw ingenomen te zijn, tot hilariteit van het publiek.

De openingssequentie, de aanleiding tot de achtervolging, is ook geweldig. De Tramp laat hier zien moreel niet geheel zuiver op de graat te zijn, maar zoals gewoonlijk betreft dit vooral het gezag. Zo verwittigt hij de agent niet van zijn vergissing wanneer hij hem onterecht aanziet voor de eigenaar van een gestolen portemonnee. De Tramp neemt het ding aan en koopt gewoon wat hot dogs met het geld. Wanneer de agent erachter komt, moet de Tramp zijn toevlucht nemen tot een spiegelhuis, waar de vele spiegels een veelheid aan Tramps en agenten creëren en zo voor een amusante chaos zorgen. Briljant zijn de momenten waarop de Tramp net doet alsof hij een mechanische pop is die voor de ingang van het huis staat en zich met horten en stoten omdraait en zo zelfs in staat is om de werkelijke zakkenroller ongestraft op zijn hoofd te slaan als ware het onderdeel van de vaste bewegingen van de “pop”. Erg overtuigend. Vooral de lach met een snelle, wijd open gesperde mond aan het eind van deze serie bewegingen is het kersje op de taart. Ook grappig zijn scènes waarbij hij in een leeuwenkooi terechtkomt, en natuurlijk de laatste koorddansact met een stel apen op zijn hoofd en lichaam.

‘The Circus’ is wat minder sentimenteel dan veel van zijn andere films. Toch is hij ook weer verliefd op een meisje en bepaalt deze liefde vele gebeurtenissen in de film. Deze emotie toont ook een andere interessante kant van het karakter van de Tramp: zijn jaloezie en lichtelijk “donkere” kant. Zo juicht hij wanneer zijn concurrent de koorddanser te pletter dreigt te vallen. Toch doet hij uiteindelijk het goede door zijn liefdesobject en de koorddanser bij elkaar te brengen. Hij ziet namelijk in dat het meisje geen toekomst heeft bij de arme, en vrij levende Tramp en wil toch dat zij gelukkig wordt. Het is een eervolle beslissing, die mooi eindigt met het richting de zonsondergang lopende Tramp. Ook zit hij aan het einde van de film mooi middenin de ring van het circus, om hier vervolgens uit weg te lopen, wellicht om de onmogelijkheid te symboliseren om de Tramp, of Chaplin, te kooien of door spreekwoordelijke hoepels te laten springen. Hij moet vrij zijn om buiten de begaande paden kunnen treden.

Bart Rietvink