The Cooler (2003)

Regie: Wayne Kramer | 101 minuten | drama, komedie, romantiek | Acteurs: William H. Macy, Alec Baldwin, Maria Bello, Ron Livingston, Paul Sorvino, Shawn Hatosy, Estella Warren, Arthur J. Nascarella, Joey Fatone, M.C. Gainey, Ellen Greene, Don Scribner, Tony Longo, Richard Israel, Timothy Landfield

De film ‘The Cooler’ bevat tenminste twee verschillende verhaallijnen. Het verhaal dat volgens de titel van de film centraal zou moeten staan, is dat van Bernie. Deze cooler is een geboren loser die door alles en iedereen belazerd wordt tot het moment waarop hij Natalie ontmoet en zijn kansen eindelijk keren. Klinkt als een aardig gegeven, al zij het een beetje ongeloofwaardig. Toch is het verhaal dat in de film veel krachtiger naar voren komt, dat van Shelly, de baas van de Shangri-La. Als een god heerst hij over zijn rijk dat de Shangri-La heet- en oordeelt daarbij letterlijk over leven en dood. Shelly weigert in te zien dat zijn levenswerk aan modernisering toe is: het feit dat hij zoiets ouderwets als een cooler gebruikt is daar slechts een illustratie van. Al wat hem lief is dreigt hij te verliezen: zowel de Shangri-La als Bernie, zijn enige vriend. Om dat te voorkomen zet Shelly in toenemende mate de enige twee middelen in die hij kent: geld en geweld. Het zijn tenslotte ingrediënten die in de oude casinowereld vaker zijn vruchten afwierpen.

Dat het verhaal van Shelly zoveel krachtiger overeind staat, zou te maken kunnen hebben met de geleverde acteerprestaties. Terwijl William H. Macy zijn bijrolniveau niet lijkt te kunnen ontstijgen, steelt Alec Baldwin als Shelly elke scène waar hij in voor komt. Waarschijnlijker is echter dat dit met het script te maken heeft: op papier maakt Bernie’s personage misschien de meeste ontwikkeling door (van pechvogel naar geluksvogel), op het witte doek doet zijn personage erg vlak aan. Dat hij daarnaast regelmatig als een soort Donald Duck-achtig karikatuur wordt geportretteerd, maakt de boel er niet beter op. Er zijn overigens wel meer manco’s in het script aan te wijzen, zoals overbodige sub-verhaallijnen die geen enkel doel lijken te dienen, en naarmate de film vordert komen die sterker naar voren. Toch is de film niet slecht te noemen. Zowel Alec Baldwin als Maria Bello overtuigen in de door hun neergezette rollen. Het camera- en montagewerk is oke (een beetje ouderwets hip) en de sexscènes zijn opvallend rauw voor Hollywoodstandaard. Daarbij is het gedurfd hoe de maker zijn acteurs soms weinig flatteus in beeld brengt (cellulitis op de billen van Maria Bello, de gewelddadige uitspattingen van Alec Baldwin), om ze uiteindelijk toch als aantrekkelijke mensen neer te zetten. Die dualistische aanpak biedt hoop – misschien komt het in een volgende film wel goed met Wayne Kramer.

Laura Groeneveld