The Hills Have Eyes (2006)

Regie: Alexandre Aja | 90 minuten | horror, thriller | Acteurs: Aaron Stanford, Kathleen Quinlan, Ted Levine, Vinessa Shaw, Emilie De Ravin, Dan Byrd, Tom Bower, Laura Ortiz, Billy Drago, Robert Joy, Ezra Buzzington, Maxime Giffard, Michael Bailey Smith, Maisie Camilleri Preziosi, Ivana Turchetto, Desmond Askew, Judith Jane Vallette, Adam Perrell    

Associaties met ‘Dr. Strangelove’ kunnen bijna niet anders dan negatief uitpakken voor de film in kwestie, en de manier waarop de kernontploffingen in de openingsmontage van ‘The Hills Have Eyes’ afgewisseld worden met foto’s van misvormde kinderen is ook weinig subtiel, maar regisseur Aja heeft toch geprobeerd om een politiek bewuste lading toe te voegen aan zijn remake van Wes Cravens vrij eenzijdige, en inmiddels zeer clichématige horrorverhaal uit de jaren zeventig. Het is alleen de vraag of er wel een heldere filosofie aan zijn uitingen ten grondslag ligt, en of deze op de juiste manier overkomt. Na afloop van de film overheerst toch voornamelijk het gevoel dat je naar een aardig uitgevoerde (sub)genrefilm hebt zitten kijken.

Als je geen genoeg kunt krijgen van dit type horrorfilms – je kent het wel: een stel naïevelingen strandt in “Redneck”-gebied en moet daar zien te overleven door wat lokale psychopaten van zich af te slaan of schieten – zal aan ‘The Hills Have Eyes’ voldoende plezier beleven. Al is dit woord wellicht niet juist gekozen. Tenzij je plezier beleeft aan mensen die aan een boom in brand worden gestoken, of weerloze vrouwen die (bijna) verkracht worden door gemuteerde gestoorden. Deze twee momenten vinden allebei in dezelfde sequentie plaats, zo halverwege de film, en behoren tot de meest verontrustende van de hele film. De uitwerking is zo effectief vanwege enerzijds de aard van de handelingen, maar anderzijds vanwege de band van de kijker met de personages in nood. Als kijker voel je wel degelijk een schok door je heengaan wanneer deze personages belaagd of zelfs vermoord worden. Aja heeft gelukkig de tijd genomen om de hoofdpersonen en hun onderlinge relaties tastbaar te maken voor de toeschouwer. Het is niet zozeer dat de personages veel diepgang hebben gekregen, maar we krijgen nu toch het gevoel dat we met hen op reis zijn met de camper, in plaats van dat we louter observeren. Zo zijn de grappige toespelingen, en de onderlinge fricties tussen broer en zus, man en vrouw, en schoonvader en schoonzoon herkenbaar en amusant, en zorgen voor wat meer menselijkheid.  Het scheelt ook dat het acteerwerk bovengemiddeld is voor dit soort films. Emilie de Ravin, bekend van de serie ‘Lost’, speelt geloofwaardig de recalcitrante puber Brenda, die afgeeft op het burgerlijke huwelijk van haar oudere zus Lynn (Vinessa Shaw), en zich geneert voor haar ouders en het overdreven tonen van genegenheid (“Gelukkig kijkt er niemand”…). Vinessa Shaw roept veel sympathie op als Lynn, de vrouw van de sullige Doug (Aaron Stanford) die iedereen tevreden probeert te houden. Aaron Stanford weet verder zijn cruciale rol, waarin hij van pacifist en wapenhater naar hakkende en schietende wreker moet veranderen goed te vertolken, al komt de omslag wel redelijk snel.

Het is dan weer jammer dat deze degelijke acteurs terecht zijn gekomen in een uitgekauwd horrorverhaal dat weinig verrassends te bieden heeft. Onze vrienden vragen de weg aan een ongure bediende bij een onheilspellend pompstation en laten zich, in een vlaag van verstandsverbijstering, naar een obscuur weggetje leiden, waar hun camper toevallig panne ondervindt. Hierop besluiten de twee mannen ieder een andere weg te kiezen. Pa gaat in zijn eentje terug naar het onbetrouwbare pompstation, wat, wie had dat gedacht, een slechte keuze zal blijken te zijn. Doug loopt een willekeurige andere kant op en stuit op een vlakte vol met gestrande auto’s, sommigen met aanhanger of boot er nog aan, of allerlei spullen op de achterbank. Er gaat geen alarmbel rinkelen bij Doug. Hij pakt slechts een knuffeldier uit één van de auto’s en gaat weer op “huis” aan. Ondertussen ruikt één van de honden (genaamd Beauty en Beast) bij de camper onraad en rent de heuvels in. Doug rent er vervolgens in zijn eentje achteraan.

Dit is vragen om moeilijkheden, en voor de kijker wachten op de onvermijdelijke confrontatie van het liefdevolle gezinnetje met de monsters uit de heuvels. Wat wel weer interessant is, is het moment dat Doug langsgaat bij het dorp van deze mutanten, dat prachtig gerealiseerd is, als een soort wassenmuseum: een plek van herinneringen, waar de tijd heeft stil gestaan. We zien etalagepoppen in de tuin, op een schommel, piepende borden. Maar de bewoners zelf zijn werkelijk grotesk, met als toppunt een in zijn stoel achterover hangende man met een gigantische, uitgelubberde kin, die het Amerikaans volkslied zingt dat op televisie langskomt. We zien ook misvormde kindjes op de grond zitten die aan Doug vragen of hij met ze wil spelen. De mutanten zetten hun wrok tegen de Amerikaanse regering, die hen heeft laten barsten tijdens de kernproeven, nog even letterlijk uiteen voor de kijker, voor het geval het nog niet duidelijk was. Aja lijkt hier toch echt te willen wijzen op deze misstanden van Amerika. Enkel, sympathie opwekken voor deze mensen wordt toch bijzonder moeilijk, als je ziet wat er vooraf is gegaan in de film. Daarbij wordt het mogelijke begrip voor deze mensen bruut een halt toegeroepen wanneer Doug een Amerikaanse vlag oppakt en deze door de strot ramt van één der monsters. Dit gekoppeld aan de heroïsche wijze waarop hij met zijn bijl op zijn slachtoffers inhakt, overduidelijk mikkend op een toejuichende toeschouwerreactie, maakt dat de politieke, of ambigue dimensie niet erg lang stand houdt. De toeschouwer moet toch vooral geshockeerd worden, en later de catharsis van een vergeldingsactie kunnen proeven.  Kortom, de film poogt meer te zijn dan een standaard horrorfilm, maar slaagt hier niet bijster goed in. Het blijft uiteindelijk toch gewoon een grimmige, redelijk geslaagde horrorfilm in “Redneck”-territorium. Niet meer, maar ook zeker niet minder.

Bart Rietvink