The Man Who Wasn’t There (2001)

Regie: Joel Coen, Ethan Coen | 116 minuten | drama, komedie, misdaad | Acteurs: Billy Bob Thornton, Frances McDormand, James Gandolfini, Michael Badalucco, Katherine Borowitz, Jon Polito, Scarlett Johansson, Richard Jenkins, Tony Shalhoub, Christopher Kriesa, Brian Haley, Jack McGee, Gregg Binkley, Alan Fudge, Lilyan Chauvin    

‘Waarom knippen we eigenlijk ons haar? Het groeit toch wel weer aan. Zelfs na je dood groeit je haar nog enige tijd door’. Het is een van de quasi-filosofische theorieën van Ed Crane, hoofdpersoon uit de film ‘The Man Who Wasn’t There’, van de hand van Ethan en Joel Coen. Het idee voor de film ontstond tijdens het filmen van ‘The Hudsucker Proxy’, enkele jaren eerder, toen de broers in een kapperszaak een poster zagen met verschillende kapsels uit de jaren veertig. Waarom maken we niet een film over de man die deze kapsels knipt, zeiden ze toen tegen elkaar. De diepe gedachten van de Coens over haarnetjes en haargel kwam al naar voren in ‘O Brother Where Art Thou’, maar in geen enkele andere Coen-film speelt haar zo’n belangrijke rol als in ‘The Man Who Wasn’t There’.

Santa Rosa, California, 1949. De zwijgzame Ed Crane (Billy Bob Thornton) werkt in de kapsalon van zijn praatzieke zwager Frank (Michael Badalucco). De vrolijke blonde kuiven van de jochies in de kapperstoel en de plukken haar die sierlijk op de grond neervlijen staan in schril contrast met de gemoedstoestand van Ed, die lusteloos door het leven gaat. Ed is getrouwd met Doris (Frances McDormand) – al even praatgraag als haar broer – maar hij heeft geen idee waarom. Op een dag krijgt Ed de excentrieke Creighton Tolliver (Jon Polito) in de stoel, die het een lucratief aanbod doet om te investeren in een branche die in de toekomst veel geld zal opleveren; de stomerij. Het enige dat hij nodig heeft om mee te kunnen doen in deze deal is $ 10.000,-. Het enige probleem is dat Ed dat geld niet heeft, waardoor hij zich gedwongen ziet de welgestelde Big Dave Brewster (James Gandolfini), van wie hij vermoed dat hij een affaire heeft met zijn vrouw Doris, voor precies dat bedrag af te persen. Wat een simpel plan lijkt, loopt al gauw uit op moord…

Wie al vaker een film van de Coen broers (samen zijn ze verantwoordelijk voor de productie, de regie en het script) heeft gezien, weet dat hun werk op zijn zachtst gezegd onconventioneel is. Het zijn bovendien vaak visuele pareltjes en dat geldt zeker voor ‘The Man Who Wasn’t There’. De oogverblindende zwartwitfotografie alleen al maakt deze film de moeite van het kijken waard. Cinematograaf Roger Deakins nam de film eerst ‘gewoon’ in kleur op om nadien alles op hoge resolutie over te brengen op zwartwitfilm. Het resultaat is een perfect afgelijnde droomwereld waar alles nét te surrealistisch verloopt om echt te zijn. Niet alleen qua uiterlijk, maar ook qua verhaal is ‘The Man Who Wasn’t There’ een ode aan de films noirs uit de jaren veertig en de boeken van James Cain. Kijk alleen al naar de titel; Hitchcock had hem net zo goed kunnen bedenken. De film kent prachtige dialogen – met de kenmerkende onderhuidse Coen-humor die we eerder zagen in ‘Blood Simple’ – en dito plotvondsten waarmee zelfs de meest ongeloofwaardige elementen verklaard worden. De film is wel wat aan de trage kant, maar wie zich laat meeslepen in het verhaal en door de prachtige beelden zal dat niet eens doorhebben.

En dan de acteurs. Billy Bob Thornton is een man van wie je houdt of wie je haat. Maar zelfs degene die een bloedhekel aan de man heeft, zal hem in deze film weten te waarderen. Aangezien zijn personage Ed Crane weinig zegt, ‘spreekt’ hij vooral met zijn getekende kop en zijn lethargische blik. Zwijgzaam steekt hij maar weer een sigaret op, wanneer je eigenlijk zou verwachten dat hij zijn mond zou opentrekken. Geheel volgens de traditie van film noir worden de diepste gevoelens van de hoofdpersoon verteld via een voice-over. Vaak een zwaktebod, maar in deze film prima op zijn plaats. Crane geeft op dodelijk effectieve wijze commentaar op wat er gebeurt. Hij is een van de talloze onbelangrijke mensen in de wereld en dat wéét hij. De overige castleden zijn vertrouwde gezichten in Coen-films, waaronder de altijd betrouwbare Frances McDormand (‘Fargo’), Michael Badalucco (‘Oh Brother Where Art Thou’) en Jon Polito (‘Miller’s Crossing’). Ook Scarlett Johansson (toen nog niet zo alom tegenwoordig als nu) duikt op, evenals James ‘Tony Soprano’ Gandolfini. Zij zijn echter lang niet zo opvallend aanwezig als Tony Shalhoub, die op briljante wijze de egocentrische advocaat Freddy Riedenschneider gestalte geeft.

‘The Man Who Wasn’t There’ is een buitengewoon interessante film, alleen al vanwege de beeldschone fotografie. Maar ook het verhaal, met zijn onverwachte wendingen en kleurrijke personages, is de moeite waard. Wie goed oplet zou er zelfs een zekere filosofie over de nutteloosheid van het bestaan in kunnen ontdekken. Al zou het kunnen dat je de film daarvoor een tweede keer moet kijken, ‘The Man Who Wasn’t There’ zit namelijk vol verscholen kwinkslagen die je bij de eerste kijkbeurt gegarandeerd ontgaan.

Patricia Smagge