The Mighty Peking Man – Xing xing wang (1977)

Regie: Ho Meng-Hua | 87 minuten | actie, avontuur, horror, science fiction, fantasie | Acteurs: Evelyne Kraft, Danny Lee, Feng Ku, Lin Wei Tu, Shao-Chiang Hsu, Hang-Sheng Wu, Theodore Thomas, Steve Nicholson, Yao Hsiao, Ping Chen

Deze volkomen absurde en zonder enige twijfel bijzonder slechte film is tegelijkertijd ontzettend vermakelijk. Duidelijk meeliftend op de ‘King Kong’-remake van de Dino de Laurentiis van het jaar ervoor, en daarnaast elementen toevoegend van die andere apenfilm, ‘Mighty Joe Young’, en nog een beetje van Tarzan en Godzilla, heeft ‘The Mighty Peking Man’ geen origineel botje in zijn filmische lichaam. Daarbij zijn de effecten en het acteerwerk zeer belabberd en zijn zaken als logica bijzonder ver te zoeken. Maar juist hierdoor is de film gelukkig ook de moeite waard. Een film die zo slecht is dat hij goed wordt, dus.

In de Himalaya blijkt de Peking Man (Peking komt overigens nergens in de film voor) door een bijzonder knullig weergegeven aardbeving wakker te worden geschud en de plaatselijke bevolking te teisteren. Hier zijn we getuige van door een zakenman in Hong Kong, Lu Tiem, die, vijftien jaar later, munt wil slaan uit dit beest. Er worden geen doekjes om de motieven gewonden. Letterlijk wordt er gesteld dat ze het beest desnoods ook nog dood als curiositeit kunnen exploiteren. Al te veel risico wil de man zelf niet lopen en dus moet er een welwillende expeditieleider worden gevonden. Chen Zhengfeng (Danny Lee) voldoet omdat het net uit is gegaan met zijn vriendin en hij het leven daarom toch al beu is.

Dus gaat hij met een groep naar India om de Peking Man op te sporen. Ze krijgen eerst echter nog wat andere gevaren te verduren. In een dorpje aangekomen worden ze door een groep olifanten, letterlijk, onder de voet gelopen en wordt het dorp verwoest. Tenminste, die moeten we concluderen als we op de slechte achtergrondprojectie en beroerde montage afgaan. Ed Wood zou er nog van gaan blozen. De voor- en achtergrondbeelden falen volkomen in hun interactie: het is duidelijk te zien dat de personages voor geprojecteerde filmbeelden weglopen. Maar het blijft niet bij olifanten. Een tijger valt ook nog aan, en in de chaos verzuipt er een man in het drijfzand. Wanneer de tijger een stuk been van een expeditielid afbijt schiet Lu Tiem de man gewoon dood, omdat hij geen medicijnen wil verspillen. Logisch.

Al deze ongein zorgt ervoor dat de overgebleven groepsleden er vrijwillig vandoor gaan wanneer Cheng nog in zijn tentje ligt te slapen. Op zichzelf aangewezen, ziet Cheng zich geconfronteerd met de grote Peking Man die hem oppakt en gek genoeg meteen weer laat vallen, zodat Cheng weg kan rennen. Peking Man zelf is overigens een man in een lachwekkend uitziend rubberen pak. Net wanneer het erop gaat lijken dat Cheng het loodje gaat leggen, verschijnt zijn redding (en die van de film als geheel): blond junglemeisje Ah Wei (Evelyne Kraft), dat ooit met haar ouders in de jungle is gecrasht en door de grote aap is grootgebracht. Inmiddels doet de grote lobbes alles wat zij hem opdraagt. Kraft heeft een interessante outfit aan: een lendendoek, slip, en beha van dierenhuid. Vooral de beha moet voor veel kledingontwerpers een fascinerend analyseobject zijn: hoe het ding met zijn ene schouderbandje alles (meestal) op zijn plaats houdt, mag een wonder heten. Net als haar redelijke beheersing van de Chinese taal als je bedenkt dat ze als Amerikaans meisje in een Indiase jungle is neergestort en louter gegrom in haar omgeving heeft gehoord.

Maar goed, ze is blij met het nieuwe gezelschap en al gauw slingeren ze samen aan lianen door het bos. Als een aap zo snel klimt ze een kokospalm in om voor eten te zorgen (een scène die overduidelijk horizontaal is opgenomen omdat Kraft tegen het ding opspringt en zich niet vastklemt. Bovendien hangt haar haar naar rechts: een eigenaardige vorm van zwaartekracht). Wanneer Cheng haar geneest van een slangenbeet is ze voorgoed voor hem gevallen en begint één van de hoogtepunten van de film: een muzikale montage met een huppelende en met de wilde dieren spelende Ah-Wei en Cheng. Een cheesy jaren zeventig soulnummer, kennelijk getiteld: “Could I be in Love?”, begeleid een hilarische serie slowmotion beelden van een met een luipaard op haar schouders ronddraaiende Ah-Wei en een achter het beest aan dartelende Cheng. Bijna net zo grappig is het moment van afscheid, waarbij we zowaar getuige zijn van een huilende olifant en een luipaard met verlatingsangst. Want, ja, ondanks het idyllische bestaan in de jungle beslist Cheng dat het toch het beste is om de grote aap mee naar Hong Kong te nemen.

Want ja, we waren bijna vergeten dat het hier om een grote, verwoestende aap ging en niet om de bikini en jolige fratsen van Kraft. Deze flinke harige jongen weet gelukkig ook nog voor veel vertier te zorgen. Geinig is het miniatuurbootje en aapje dat we zien in een shot waarin de boot door een storm tegen de rotsen loopt. Maar ook in Hong Kong zelf is het een feest van slechte effecten. De miniaturen van Hong Kong zelf zijn niet eens zo slecht gedaan, maar de speelgoedtankjes die de Peking Man aanvallen, de Tonka vrachtwagens die hij omver trekt, en, wederom, de incompetente achtergrondprojectie, werken automatisch op de lachspieren. Ook is het grappig hoe praktisch alles wat de Peking Man aanraakt ontploft of in vlammen opgaat: of hij nu op een auto gaat staan of zijn hand door een bovenverdieping steekt: ontploffingen zijn het gevolg. Ook staan er overal strategisch tankwagens geplaatst zodat een uit de lucht geplukte helikopter hier mooi op terecht kan komen.

Woorden schieten eigenlijk tekort bij het bespreken van deze film. Het is het beste om het met eigen ogen te gaan bewonderen. We mogen Quentin Tarantino danken voor het opnieuw onder de aandacht brengen van deze amusante (slechte) b-film. De liefhebber kan zijn lol op met ‘The Mighty Peking Man’. Dus, nodig wat gelijkgestemde vrienden uit, een bak chips erbij, en genieten maar!

Bart Rietvink