Trading Places (1983)
Regie: John Landis | 116 minuten | komedie | Acteurs: Eddie Murphy, Dan Aykroyd, Ralph Bellamy, Denholm Elliott, Don Ameche, Avon Long, Tom Mardirosian, Charles Brown, Robert Curtis Brown, Nicholas Guest, John Bedford Lloyd, Tony Sherer, Kristin Holby, Clint Smith, Ron Taylor, Paul Gleason, Frank Oz, Jamie Lee Curtis, Bo Diddley, James Belushi, Kelly Curtis
Er was iets bijzonders aan de hand in de filmwereld van de jaren tachtig: Hollywood leek welhaast collectief verliefd op geld te zijn. Mannen in dure pakken, met dikke horloges, snelle auto’s, Wall Street en vooral de vraag hoe je zo snel mogelijk rijk kon worden. Reaganomics en Thatcherisme vormden de politieke achtergrond en in films werd de hebzucht van het decennium het ene moment schaamteloos gevierd en het andere juist genadeloos bespot. In Oliver Stones klassieker ‘Wall Street’ uit 1987 sprak Gordon Gekko de legendarische woorden: ‘Greed is good’, maar John Landis wist met de komedie ‘Trading Places’ (1983) vier jaar eerder al een bijzonder vermakelijke draai te geven aan de obsessie met geld, status en succes. Het mooie is dat deze film niet echt voelt als een zwaar economisch pamflet; Landis verpakt zijn kritiek op rijkdom, klasse en privilege juist in een knotsgekke komedie, waardoor je vooral zit te lachen terwijl je ondertussen ongemerkt een lesje kapitalisme krijgt.
Voor Eddie Murphy was ‘Trading Places’ een soort tussenstation op weg naar de absolute top. Na zijn debuut in ’48 Hrs.’ (1982) en vlak voor hij met ‘Beverly Hills Cop’ (1984) zijn status als filmster definitief zou beklinken, was dit de middelste film van het drietal waarmee hij definitief bewees dat zijn ‘Saturday Night Live’-roem geen toevalstreffer was. Als straatoplichter Billy Ray Valentine is Murphy onweerstaanbaar: brutaal, snel, vulgair en altijd nét slimmer dan de mensen tegenover hem. Maar hij laat hier ook zien dat er onder al die energie een echte acteur zit. Als tegenspelers werden Dan Aykroyd (óók bekend van SNL), de Britse acteur Denholm Elliott en de ervaren Ralph Bellamy en Don Ameche gecast. De enige vrouwenrol van belang ging naar de nog jonge Jamie Lee Curtis, die haar naam had gemaakt als scream queen dankzij onder meer ‘Halloween’ (1978). Paste zij wel in een komische film? De studio had er zo haar twijfels over, maar regisseur John Landis maakte zich er sterk voor om toch Curtis te castten. Jamie Lee Curtis ‘slechts een B-filmactrice’? “Not after this movie!”, aldus Landis.
Dan het verhaal. ‘Trading Places’ draait om een weddenschap om welgeteld één dollar. Randolph (Ralph Bellamy) en Mortimer Duke (Don Ameche) zijn steenrijke broers die willen weten of succes wordt bepaald door aanleg of door omgeving. Ze besluiten hun theorie in de praktijk te testen. En zo krijgt Billy Ray Valentine (Eddie Murphy), een straatarme oplichter, plotseling het leven van Louis Winthorpe III (Dan Aykroyd) toebedeeld: zijn huis, zijn baan, zijn geld en zelfs zijn butler (Denholm Elliott). Winthorpe wordt ondertussen beroofd van alles wat hem zekerheid gaf en belandt letterlijk op straat. Het experiment werkt akelig goed. Billy Ray blijkt zich moeiteloos aan te passen aan zijn nieuwe omgeving, terwijl Winthorpe zonder zijn sociale vangnet volledig ontspoort. Uiteindelijk ontdekken de twee dat ze samen sterker staan en besluiten ze de Dukes terug te pakken. Dat leidt tot een heerlijke finale waarin de heren op de beursvloer proberen de markt voor sinaasappelsap volledig op zijn kop te zetten.
‘Trading Places’ is ook decennia later nog altijd ontzettend grappig. Dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom de film in zoveel lijstjes (beste komedies uit de jaren 80, beste kerstfilms aller tijden etc.) blijft opduiken. De humor komt niet alleen uit losse grappen, maar vooral uit de botsing tussen twee totaal verschillende werelden. Billy Ray die zich binnen de kortste keren druk maakt over mensen die sigarettenpeuken op zijn Perzische tapijt laten vallen, is nog steeds goud. We zie Murphy op de toppen van zijn kunnen, maar ook Aykroyd is geweldig als de verwaande Louis Winthorpe III, terwijl Jamie Lee Curtis verrassend grappig en charmant is als de goudeerlijke Ophelia (zoals de Engelsen dat zo mooi noemen: a tart with a heart). Denholm Elliott verdient eveneens een speciale vermelding: zijn butler Coleman is een kleine rol, maar Elliott geeft hem zoveel warmte en ironie dat je ernaar uitkijkt tot hij weer in beeld komt. En dan zijn er nog Ralph Bellamy en Don Ameche als de Duke-broers, twee heerlijk onsympathieke oude kapitalisten. Landis was zo tevreden met hun spel dat de Duke-broers later opnieuw opdoken in ‘Coming to America’ (1988, weer met Murphy in de hoofdrol).
Tegelijkertijd is het onmogelijk om de film vandaag te bekijken zonder te struikelen over een aantal elementen die behoorlijk slecht zijn verouderd. Het racistische taalgebruik is soms best schokkend, Aykroyds blackface-scène voelt ongemakkelijk, er is een scène met James Belushi, Paul Gleeson en een verklede gorilla die onkies aanvoelt en de manier waarop Jamie Lee Curtis voornamelijk als lustobject wordt ingezet, is moeilijk te negeren. Dat laatste is extra opvallend omdat Curtis zelf zoveel meer te bieden heeft. Met name voor een Gen Z-kijker zullen sommige grappen waarschijnlijk eerder een wenkbrauw doen optrekken dan een lach ontlokken. De film vraagt dan ook om enige historische context, maar gelukkig niet om vergeving voor alles wat hij doet.
Want onder die gedateerde buitenkant schuilt een nog altijd verrassend moderne film. ‘Trading Places’ gaat uiteindelijk over een vraag die helemaal niet typisch jaren tachtig is: hoeveel van ons succes hebben we eigenlijk zelf verdiend? Billy Ray krijgt kansen en blijkt intelligent genoeg om ze te benutten; Winthorpe verliest zijn privileges en ontdekt hoe snel de maatschappij zich tegen hem keert. Dat maakt de film meer dan een klassieke rijk-tegen-arm-komedie. Het is een vrolijk verpakte aanklacht tegen een systeem waarin degenen bovenin de boom zichzelf graag wijsmaken dat ze daar uitsluitend door hun eigen verdiensten terecht zijn gekomen. Precies daarom zou ook Gen Z deze film eens een kans moeten geven. Niet om te doen alsof alle grappen vandaag de dag ook nog oké zijn, maar juist om te zien hoeveel er sindsdien veranderd is én hoeveel van de onderliggende thema’s nog steeds actueel zijn. Bovendien: Murphy en Aykroyd op hun best, een krankzinnige beursfinale, een gorilla in een vliegtuig en Denholm Elliott die bijna stiekem de film steelt, daar valt nog altijd moeilijk tegenop te concurreren.
Patricia Smagge
Waardering: 4
Bioscooprelease: 3 november 1983
