Youssou Ndour: I Bring What I Love (2008)

Regie: Elizabeth Chai Vasarhelyi | 102 minuten | muziek, documentaire | Acteurs: Youssou N’Dour, Peter Gabriel, Moustapha Mbaye, Kabou Guèye, Fathi Salama

Het is wrang dat de “tolerantie voor het islamitische geloof”, die Youssou N’Dour probeert te bevorderen met zijn album “Egypt” vooral plaats lijkt te hebben gevonden in het buitenland maar niet bij zijn broeders en zusters in eigen land. In het buitenland werd immers zijn album breed omarmd, terwijl in zijn moederland Senegal de (islamitische) bevolking zelf aanvankelijk niets moest hebben van zijn muzikale odes aan zijn religieuze voorvaders. Maar misschien ligt het toch wat gecompliceerder. N’Dour is als inspirerende zanger namelijk een grootheid in eigen land, en in heel Afrika, terwijl de teksten die hij op “Egypt” ten gehore brengt een inhoud hebben die zonder twijfel door het merendeel van de islamitische bevolking gewaardeerd wordt. Waarom dan die weerstand? En wat is precies de reden dat hij in het buitenland wel enorm veel succes had met dit religieus getinte album? Is de verklaring simpelweg dat muziek grensoverschrijdend is? Dit soort intrigerende roept Elizabeth Chai Vasarhely’s documentaire op en hoewel niet alle vraagstukken even bevredigend onderzocht worden, zijn de hoopvolle boodschap van N’Dour en de kracht van zijn stem, geest, en muziek, genoeg om van ‘Youssou N’Dour: I Bring What I Love’ een warme documentaire te maken over het op een positieve manier beleven en uitdragen van het islamitisch geloof en de bindende kracht van muziek.

In de eerste paar minuten van Vasarhely’s documentaire houdt N’Dour voor vele Afrikanen een inspirerende toespraak – bijna een preek – over de noodzaak tot verbroedering, positief denken en het eren van de sterke voorvaders van de huidige Afrikanen. De ademloos toekijkende, en na de toespraak wild juichende, Afrikaanse toeschouwers zijn duidelijk onder de indruk van deze morele inspirator. Het zijn kippenvelmomenten, ook voor de kijker.

Hierna wordt Youssou N’Dour aan de kijker gepresenteerd met informatie over zijn jeugd, zijn wensen en successen. Het is interessant om erachter te komen waar deze man in letterlijke en figuurlijk zin vandaan komt. Zijn grootmoeder was bijvoorbeeld ook al een zogenaamde “griot”, een zanger(es)/preker die op verhalende wijze de Afrikaanse historie overdraagt op de medemensen en nieuwe generatie(s). Vooral de grote, inspirerende namen dienen niet vergeten te worden.

Hoewel hij altijd trouw is gebleven aan zijn “roots” is N’Dour uitgegroeid tot een ware popartiest. Veel mensen zullen hem vooral kennen van dat ene hitje met Neneh Cherry, “7 Seconds”, en voor hen is deze documentaire dan ook een redelijke eye-opener. N’Dour is groot en weet velen te raken met zijn passievolle performance, wat voor iedereen begrijpelijk is die enkele minuten naar de bijna hypnotische stem van de man hebt geluisterd. Youssou N’Dour ademt en leeft muziek. Daarnaast leeft hij ook voor zijn religie en daarom kreeg hij het enigszins controversiële idee om deze waarden met elkaar te combineren.

In het moslimgeloof is het echter “not done” om religieus getinte teksten in muzikale vorm te gieten. Maar wat is precies het probleem, als het allemaal respectvol gebeurt? In het Christelijke geloof gebeurt dit natuurlijk al tijden lang, en N’Dour stelt daarnaast dat ook imams hun preken in wezen zingen. Dus volgens hem is het een misvatting dat muziek en (de islamitische) religie niets met elkaar van doen (kunnen) hebben. Toch is er weerstand. Men is het niet gewend. Popliedjes over de islam, dat kan toch niet? Dan wordt er op de radio eerst een nummer gedraaid van N’Dour waarin hij “Allah, Allah” zingt, en vervolgens komt er een nummer langs over g-spots: die context of dat samengaan is onverteerbaar, zo legt iemand in de documentaire uit.

Volgens N’Dour en de medewerkers aan het album gaat het gewoon om angst en onwetendheid. Er wordt vooral duidelijk dat niets zo belangrijk is, zoals ‘Babel’ op verschillende manieren poogde te laten zien, als communicatie en het écht luisteren naar elkaar. Wanneer de Senegalezen vernamen dat Youssou N’dour, een popzanger, videoclips aan het opnemen was voor het album Egypt, ging men er meteen vanuit dat er halfnaakte dames in voor zouden komen. Voordat men wist waar het eigenlijk om ging, en hoe alles eruit zou zien, werden er wilde conclusies getrokken. Een beetje als met Wilders’ film ‘Fitna’.

Wat interessant is, is dat “Egypt” in het buitenland wel veel succes had. Maar waarom? Zijn de moslims daar soepeler? Of luisterde men vooral naar de muziek en was de inhoud minder belangrijk? Immers, in het publiek van de concerten in Brussel, Milaan, en New York, zijn ook veel blanke, niet-moslim toehoorders te vinden, die de muziek allemaal geweldig vinden. Het is jammer dat de documentaire niet wat meer onderzoek op dit terrein verricht. Zowel de ontvangst in eigen land als in het buitenland had wat diepgravender behandeld kunnen worden. Maar ook van N’Dour zelf had een wat breder beeld gegeven kunnen worden. Na een aanvankelijk interessante, maar korte biografische schets, komt het toch steeds neer op de frustratie die samenhangt met N’Dours missie om acceptatie te vinden voor zijn mengeling van muziek en geloof. Journalist Robert Christgau geeft een korte verklaring voor de succes van het album “Egypt” door te zeggen dat het goed duidelijk maakt hoe gevarieerd de islam en het sufisme is. Het is deze gedachte die dan maar als leidraad moet dienen. Gekoppeld aan het idee dat muziek voedsel is voor de ziel en mensen kan binden en elk soort inhoud kan overdragen, is dat toch het voornaamste wat de kijker meeneemt na het zien van ‘Youssou N’Dour: I Bring What I Love’. En dat het loont om open te staan voor nieuwe dingen, en nieuwe wegen. Dat is de weg naar hoop en positieve veranderingen.

Bart Rietvink