Zatoichi: The Festival of Fire-Zatôichi abare-himatsuri (1970)

Regie: Kenji Misumi | 96 minuten | actie, drama, avontuur | Acteurs: Shintarô Katsu, Tatsuya Nakadai, Reiki Ohara, Masayuki Mori, Peter, Kô Nishimura, Yoshitaro Asawaka, Ryutaro Gomi, Yuuji Hamada, Yukio Horikata, Shingo Ibuki, Ryunosuke Kaneda

Een regisseur die gevraagd wordt voor een ‘Zatoichi’, valt in een gespreid bedje. Hij hoeft niet lang na te denken over het beeld en de karakters, die zijn allemaal al bekend. De verhalen zijn al klaar en zitten altijd goed in elkaar. Over de hoofdrol door Shintarô Katsu hoef je je ook geen zorgen te maken, dat komt allemaal wel goed. Alleen zit er toch een moeilijkheid: hoe maak je nog een originele film van een gegeven dat al zo is uitgemolken? Tel daarbij op dat Shintarô Katsu geen makkelijke schijnt te zijn geweest op de set. Hij kreeg misschien sterallures en trok steeds meer zaken naar zich toe. Begon mee te schrijven aan de scripts, ging produceren en later zelfs regisseren. Maar, gelukkig was Kenji Misumi een oude bekende in de reeks. Hij regisseerde het allereerste deel van de in totaal 25(!) Zatoichi films en deed er uiteindelijk vijf, waarvan ‘Zatoichi: The Festival of Fire’ zijn laatste was. En het werd weer een goede.

De muziek is prachtig en doet denken aan de scores van Ennio Morricone. De tokkelende shamisen (een typisch Japans snaarinstrument), die de banjo van Morricone goed imiteert, contrasteert met een lichte toon de harde mannenwereld van vechtlustige, snel beledigde samoerai’s en zweterige yakuzi. Later in de film duikt zelfs de zo kenmerkende sound van de electrische gitaar op, die de Morricone ‘invloed’ bevestigt. Nou ja, het werkt in ieder geval uitstekend.

Er zitten een aantal buitengewoon mooie scènes in de film. Met name die waarin Zatoichi het in een badhuis zonder zwaard moet opnemen tegen een stel volgetatoeëerde yakuzi (gangsters), met een prachtige choreografie, creatief gebruik van de beperkte ruimte en mooie dramatische opbouw. In een andere bijzondere scène, die in eerste instantie niet veel lijkt te betekenen, hebben een man en een vrouw ruzie. Hier draait het vooral om de karakters, een man en een vrouw, die elkaar dan weer schoppen (letterlijk) en verrot schelden en dan weer aaien en liefhebben. De scène komt een beetje uit het niets, maar illustreert uiteindelijk mooi het thema van de film: de eeuwige strijd tussen de twee seksen, die niet mét, maar ook niet zónder elkaar kunnen leven.

Bij de meeste personages in ‘Zatoichi: The Festival of Fire’ gaat het er echter wat minder onschuldig aan toe. En het zijn met name vrouwen die het moeten ontgelden. Gelukkig kunnen ze op Zatoichi’s steun rekenen. Vooral één vrouw, Okiyo, de dochter van een yakuzi-baas, heeft zijn hart gestolen. Hier wordt goed ingespeeld op het gegeven dat Zatoichi toch ook een eenzame man is, blind en zonder familie of thuis. Vrouwen blijken dan zijn Achilleshiel. Eigenlijk is hij telkens op zoek naar liefde, die hij vindt in een vriendschap en in een lieve vrouw. In zijn wereld zijn die dingen hem vaak niet gegund, althans, meestal niet voor lang.

Deze film is absoluut één van de hardere afleveringen uit de reeks, dat komt door het grove, meedogenloze geweld. Zoals gezegd: de wereld waarin Zatoichi leeft is niet bedoeld voor zachtgekookte eitjes. Het geweld is nooit zo heftig of expliciet als in tegenwoordig in films regelmatig voorkomt, maar in die donkere wereld die geschetst wordt, waarin mensen elkaar niet veel gunnen, komt het soms hard aan. Desalniettemin, of zo je wilt, juist daardoor, een goede film.

Arjen Dijkstra