Man from Deep River – Il paese del sesso selvaggio (1972)

Regie: Umberto Lenzi | 93 minuten | drama, avontuur, horror | Acteurs: Ivan Rassimov, Me Me Lai, Pratitsak Singhara, Sullalewan Suxantat, Ong Ard, Prapas Chindang, Pipop Pupinyo, Tuan Tevan, Chit, Choi, Song Suanhad, Pairach Thaipradt, Luciano Martino

In de jaren zestig en zeventig ontstonden in Europa diverse nieuwe filmgenres. Een daarvan is de giallo, een uit Italië afkomstig nieuw soort horror dat nog steeds bestaat. Grootmeesters uit dit genre zijn Dario Argento (‘Profondo Rosso’, 1975) en Mario Bava (‘Sei Donne per L’Assassino’, 1964). Ook Umberto Lenzi liftte mee op het succes van de giallo-films. De Italiaanse regisseur maakte in de jaren zestig zeer uiteenlopende films. Van spaghettiwesterns tot piratenfilms en van avonturenfilms tot bloedstollende thrillers. Ook experimenteerde hij met diverse horrorthema’s. In 1972 zou hij al deze genres door elkaar mixen en een film maken waarmee hij de grondlegger van een geheel nieuw subgenre, namelijk de kannibalenfilm. In dat jaar bracht hij ‘Il Paese del Sesso Selvaggio’ uit, die internationaal onder de naam ‘Man from Deep River’ furore zou maken als de allereerste film waarin kannibalisme centraal staat.

In deze film speelt Ivan Rassimov – een vertrouwd gezicht in Lenzi-films – de hoofdrol. Hij is John Bradley, die in Thailand als fotograaf werkt. Hij verblijft in Bangkok, maar wanneer hij op een dag in een bar betrokken raakt bij een gevecht en zijn belager dodelijk verwond, besluit hij de binnenlanden in te trekken. Samen met een gids reist hij noordwaarts over een rivier, steeds verder de rimboe is. Lange tijd gaat het goed, totdat John op een ochtend wakker wordt en zijn gids dood aantreft. Hij is aangevallen door een primitieve stam en John zelf is door deze inboorlingen gevangen genomen. Aanvankelijk wordt hij slecht behandeld, maar met een beetje hulp van de dochter van het stamhoofd, Maraya (Me Me Lai), en Taima (Pratitsak Singhara), een oudere vrouw die een beetje Engels spreekt, weet hij hun vertrouwen te winnen. Dit geeft hem de kans om te ontsnappen, maar wanneer hij gepakt wordt en terugkomt in het dorp wordt hij zwaar gestraft. John legt zich vervolgens neer bij een verblijf tussen de inboorlingen en wordt zelfs verliefd op Maraya. Hij rekent echter niet op de tegenstand van de agressieve medicijnman (Song Suanhad) en de dreiging van een naburige stam vol kannibalen …

‘Man From Deep River’ mag dan te boek staan als de eerste echte kannibalenfilm, vergeleken bij het latere werk van Lenzi zelf en anderen als Sergio Martino en Ruggero Deodato is deze film nog redelijk ‘mild’. Vooral het eerste gedeelte lijkt meer op een avonturenfilm, waarin een geciviliseerde westerling zijn intrede doet in de primitieve wereld van de inboorlingen. Pas tegen het einde van de film komt Lenzi met meer gruwelijkheden op de proppen, waarbij mens noch dier gespaard wordt. Hoewel de focus van de film aanvankelijk ligt bij de rituelen en het leven van de inboorlingen, komt de regisseur niet verder dan een clichématig en weinig overtuigende weergave. Daaruit kun je al merken dat hij met slechts één doel deze beelden toont; als opbouw naar de gruwelijke finale. De stamleden worden overigens ook erg eendimensionaal neergezet. Er is het vriendelijke oude stamhoofd, zijn beeldschone dochter en zelfs een slechterik in de vorm van de medicijnman. Het is allemaal net iets teveel bij elkaar gezocht om echt te overtuigen. Het acteerwerk is weinig bijzonders, al probeert Rassimov nog iets te maken van zijn slecht uitgewerkte personage. Me Me Lai, die later nog een paar keer zou opduiken in de kannibalenfilms van Lenzi, is een mooie vrouw maar ook niet meer dan dat. Meest interessant is nog Pratitsak Singhara als Taima, de oude dame die wat woordjes Engels spreekt en John in het geheim helpt te ontsnappen.

‘Man from Deep River’ valt in feite precies tussen de wal en het schip. Voor de liefhebbers van heftige kannibalenhorror zal de film te weinig gore bieden, maar voor kijkers die hopen op een boeiend avonturenverhaal ligt de nadruk teveel op de ranzigheid aan het einde. Wie in de eerste categorie valt kan beter Lenzi’s ‘Eaten Alive!’ (1980) of Deodato’s ‘Last Cannibal World’ (1977) bekijken en deze film ‘erbij’ doen om inzicht te krijgen in het ontstaan van de kannibalenfilm en de conventies die ermee gepaard zouden gaan. Iedereen die in de tweede groep valt doet er goed aan alle films in dit bizarre en smakeloze subgenre te laten voor wat ze zijn.

Patricia Smagge