Che: Part One – The Argentine (2008)

Regie: Steven Soderbergh | 126 minuten | drama, oorlog, biografie, geschiedenis | Acteurs: Benicio del Toro, Julia Ormond, Pablo Guevara, Franklin Díaz, Armando Suárez Cobián, Rodrigo Santoro, María Isabel Díaz, Demián Bichir, Mateo Gómez, Ramon Fernandez, Yul Vazquez, Jose Caro, Pedro Adorno, Jsu Garcia, Luis Rodriguez Sanchez, Santiago Cabrera, Roberto Santana, Vladimir Cruz, Marisé Alvarez, Jorge Perugorría, Elvira Mínguez, Unax Ugalde, Christian Nieves, Roberto Urbina, Juan Pedro Torriente, Sam Robards, Jay Potter, Stephen Mailer, Octavio Gómez, Jon DeVries, Eugenio Monclova, Luis Gonzaga Hernandez, Jose A. Nieves, Joksan Ramos, Javier Ortiz, Édgar Ramírez, Luis Rosario, Santa Fe Osmin Hernandez, Julio Cesar Morales, P.J. Benjamin, Victor Rasuk, Catalina Sandino Moreno, Rafa Alvarez

Van alle Amerikaanse filmmakers die onder de noemer ‘mainstream’ vallen, is Steven Soderbergh wellicht een van de meest experimentele. Zijn debuut ‘Sex, Lies and Videotape’ (1989) zette de Amerikaanse indiefilm (terug) op de kaart en schonk de regisseur zijn eerste prijzen (de publieksprijs op het Sundance Festival en de Gouden Palm in Cannes). Sinds die tijd laveert Soderbergh tussen big budget crowd pleasers en experimenteel opgezette kunststukjes. In ‘Traffic’ (2000) kwam de getalenteerde filmmaker het dichtst bij het samensmeden van zijn twee trucjes tot één krachtige en overtuigende film. In dat opzicht is Soderberghs dubbele biopic ‘Che’ (2008) met ‘Traffic’ te vergelijken. Ook hier scheren Hollywood en independent film rakelings langs elkaar. Toevallig of niet, maar Benicio Del Toro speelt in zowel ‘Traffic’ als ‘Che’ een ijzersterke hoofdrol. Beide rollen leverden hem volgens verwachting veel lof en prijzen op.

Enige voorkennis van het leven van Ernesto ‘Che’ Guevara is een pre. Een mooie manier om je voor te bereiden is ‘The Motorcycle Diaries’ (2004) van Walter Salles – over de vroegste jeugd van de revolutionair – te bekijken. Waar die film eindigt, begint ‘The Argentine’, het eerste deel van Soderberghs in tweeën gesplitste biopic. Deze film verhaalt over de meest succesvolle periode uit het leven van Guevara (Benicio Del Toro). De uit Argentinië afkomstige arts en intellectueel sluit zich aan bij de Beweging van de 26e juli van Fidel (Demian Bichir) en Raul Castro (Rodrigo Santoro), die een revolutie wil ontketenen op Cuba. Ze willen de Cubaanse leider Fulgencio Batista – die volgens hen het geld dat bedoeld is voor het arme Cubaanse volk afdraagt aan de Amerikaanse en Europese banken – afzetten. Boeren en burgers worden in de bossen rond de Sierra Maestro uitgebreid opgeleid tot strijdkrachten, alvorens Cuba stad voor stad wordt veroverd. Che, die aanvankelijk dienst doet als arts, blijkt een geboren leider en werpt zich op als een van de steunpilaren van de revolutie.

De triomftocht door Cuba wordt af en toe onderbroken door beelden van Guevara tijdens een bijeenkomst van de Verenigde Naties in New York. Hij houdt een speech waarin hij de revolutie in Cuba – waar uiteraard veel bloed is vergoten – verdedigt. Zijn persoonlijke beweegredenen onthult hij aan een Amerikaanse journaliste (Julia Ormond). Het zijn in feite de enige momenten waarin we iets te weten komen over Che zelf, over hoe hij zich voelt. Gedurende de rest van de film observeren we hem namelijk – hoewel soms met de camera heel dichtbij – van een afstandje. We zien hoe hij zijn strijdmakkers omhelst en bij hun voornaam aanspreekt. Maar een persoonlijke band ontstaat er nooit. Wanneer er een slachtoffer valt treurt Che om ‘een man’, niet om deze specifieke man. Ook de band tussen Che en Fidel Castro wordt nooit warm. Je vraagt je af of hun onderlinge band dan ook echt zo was, of dat Soderbergh zijn focus liever elders wilde leggen. Deze afstandelijkheid is even wennen na de reeks biopics waar juist de onderlinge betrokkenheid tussen personages centraal stond (bijvoorbeeld ‘Ray’ (2004) en ‘Walk the Line’ (2005)).

Zo afstandelijk als de personages zijn, zo intens van dichtbij beleef je als kijker de revolutiestrijd en de opgang daar naartoe in de jungle. Soderbergh maakt gebruik van de RED – een gloednieuwe mobiele digitale camera van hoge kwaliteit – waardoor de beelden tot in de kleinste detail en in hun volle glorie tot je komen. De prachtige, groene natuur van Spanje, Mexico en Puerto Rico – die zonder al te veel kunstgrepen door kan gaan voor die van Cuba en Bolivia – trekt je mee in het verhaal. De beelden, door Soderbergh zelf (onder het pseudoniem Peter Andrews) geschoten, laten zonder al te veel poespas zien wat er gebeurde en hoe het gebeurde. De prachtige muziek van Alberto Iglesias vormt de kers op de taart. Het scenario, geschreven door Peter Buchman en Benjamin A. van der Veen, kent een bijzonder realistisch karakter. De toon van dit eerste deel is – in tegenstelling tot deel twee – er een van grote triomfen. De zegetocht van de revolutionairen door Cuba wordt niet voor niets in een breed formaat getoond; iedereen mag meevieren met deze glorieuze overwinning. Deze aanpak is conventioneler dan die in het tweede deel, waarin Soderbergh teruggrijpt naar een smaller formaat beeld. Ook visueel is te zien dat de revolutie in Bolivia door minder schouders gedragen wordt – minder alom vertegenwoordigd is – dan die in Cuba.

Behalve van Soderbergh – die niet alleen de regie en de cinematografie op zich heeft genomen, maar ook als coproducent fungeert – is deze biografie vooral ook de film van Benicio Del Toro. Hij is in vrijwel elke scène aanwezig en weet zelfs als hij niet prominent in beeld is alle aandacht naar zich toe te trekken – hoe behaard en onherkenbaar hij ook is. De acteur levert een ware tour de force en slaagt er wonderwel in van Che Guevara een mens van vlees en bloed te maken, ondanks het feit dat we hem in feite nooit echt persoonlijk leren kennen. Del Toro, die in Cannes een Gouden Palm in ontvangst mocht nemen voor zijn geslaagde performance, houdt met zijn mysterieuze oogopslag de mythe rond Guevara springlevend. We zien hem als een idealist, die gelooft in een eerlijke verdeling van de rijkdommen van zijn continent. Maar we zien hem ook als een bikkelharde strijder, die er niet voor terugdeinst zijn wapen te trekken als de situatie daarom vraagt. Zijn zwaktes weet hij hier te overwinnen, omdat hij meelift op de algemene sfeer van triomf en overwinning.

‘Che: Part One – The Argentine’ is een indrukwekkende film, die met veel liefde en gevoel voor detail is gemaakt. Dit ambitieuze project van een producententeam rond Soderbergh, Del Toro en Laura Bickford is dankzij het gebruik van splinternieuwe digitale cameratechnieken in visueel opzicht een lust voor het oog. Vanuit historisch oogpunt is de film bovendien behoorlijk accuraat. Benicio Del Toro is intens, overtuigend en hypnotiserend als de tot mythe verworden marxistische revolutionair Che Guevara. Wat ‘The Argentine’ jammer genoeg ontbeert is de nodige warmte en menselijkheid. Het verhaal wordt nu vrij sec verteld, waarbij we nooit doordringen tot de kern – de ziel – van Che. Wat Soderbergh hier aflevert is zonder meer goed. Maar had hij zijn film een hart en een ziel gegeven was deze nóg beter geweest.

Patricia Smagge