The Texas Chainsaw Massacre: The Beginning (2006)

Regie: Jonathan Liebesman | 84 minuten | horror, thriller | Acteurs: Jordana Brewster, Taylor Handley, Diora Baird, Matthew Bomer, R. Lee Ermey, Cyia Batten, Andrew Bryniarski, L.A. Calkins, Tim De Zarn, Terrence Evans, Kathy Lamkin, Marietta Marich, Marcus H. Nelson, Nicole Lin Taylor, Lew Temple, Lee Tergesen

Eenieder die enthousiast raakt bij het zien van Tobe Hoopers naam tussen credits van deze nieuwe versie van het kettingzaagverhaal en een terugkeer verwacht naar de beklemmende sfeer van de originele film uit 1974, zal bedrogen uitkomen: ‘The Texas Chainsaw Massacre: The Beginning’ moet vooral gezien worden als een prequel op de remake uit 2003 en benadert nog niet eens de bescheiden geneugten van die guilty pleasure.  Spanning is vrijwel compleet afwezig in deze teleurstellende oorsprongsfilm, en is vervangen door een serie gore slachtingen die slechts op een handvol momenten interesse opwekken of de kijker doen wegkijken. Grotendeels overheerst het gevoel van “been there, done that”. Het gevoel en besef dat we het allemaal al zo vaak hebben zien doen, en beter. De remake uit 2003, met Jessica Biel in de sexy hoofdrol, was redelijk shockerend in zijn goorheid, en zorgde voor een nieuwe impuls in horrorfilms. Een flink aantal expliciete horrorfilms, vaak remakes, was het gevolg. Inmiddels zijn we blootgesteld aan hak en slachtwerk in de ‘Saw’-films, ‘Hostel’, en remakes van films als ‘The Hills Have Eyes’, ‘The House of Wax’ en zombiemateriaal als ‘Dawn of the Dead’.

Kortom, we zijn als kijker inmiddels wel wat gewend; de aanblik van een afgezaagd armpje of beentje kan de kijker echt niet meer van een graai uit de bak popcorn weerhouden. Goed, het is misschien goor, maar de klinische wijze waarop de scènes gepresenteerd worden zorgen nu niet bepaald voor angstgevoelens. “Oh, daar wordt iemand doormidden gezaagd: interessant.” Wel weer “leuk” is de  manier waarop een slachtoffer met de befaamde kettingzaag in de rug omhoog geschept wordt, waarna hij langzaam naar beneden zakt en de gierende zaag zich een gat in zijn rugholte graaft. Ook is de wijze waarop het hoofd van een ander slachtoffer gefileerd wordt zodat onze zagende vriend zijn gezicht af kan rukken best amusant. Echter, veelal hebben we te maken met saaie martelingen en de verplichte domme acties van de slachtoffers zonder dat hier iets noemenswaardigs aan wordt toegevoegd.  De potentieel interessante toevoeging die in de titel gesuggereerd wordt is het oorsprongsverhaal van Leatherface, maar dit wordt bedroevend uitgewerkt. Een spontane bloederige bevalling heeft een lichamelijk en mentaal afwijkend kindje tot gevolg dat in een afvalcontainer wordt gedumpt en aldaar wordt gevonden door een liefhebbende redneck-vrouw. Hij blijkt, zo leren we via een montage van krantenknipsels, redelijk contactgestoord te zijn en pijnigt zichzelf ter compensatie. Hij wordt te werk gesteld in het slachthuis van de familie en door de medewerkers als een beest behandeld. Wanneer het slachthuis op het punt staat van sluiten moet er op een andere manier aan vlees worden gekomen: door argeloze voorbijgangers in stukken te zagen. Arme Leatherface heeft dus een moeilijke jeugd gehad en zit niet helemaal gezond in elkaar. Dat is het geniale verhaal dat we voorgeschoteld krijgen? Als er niet iets beters bedacht kan worden, waarom deze moeite? Dan maar liever de “mystiek” bewaren en Leatherface gewoon het gezichtloze monster laten zijn dat hij altijd geweest is. Dan ben je ook sneller klaar en kan er meer tijd besteed worden aan geïnspireerde slachtingen en waarachtige spanning of eventuele relativerende humor. Nog een poging tot een serieuze toevoeging bereikt ons middels de achtergrond van de twee broers die naar Vietnam gaan, maar waarvan er één besluit er vanaf te zien. Het is de aanleiding voor een tirade van R. Lee Ermey over patriottisme, en geeft hem mooi de kans om zijn beproefde rol van drilsergeant uit ‘Full Metal Jacket’ nog eens dunnetjes over te doen, maar al snel blijkt dat dit verhaalelement nergens op uit draait en er louter nog gerend en gehakt wordt.

De film heeft weliswaar de look van het origineel uit ’74 en refereert in enkele scènes – een gezamenlijk diner en een achtervolging richting snelweg – aan deze film van Hooper, maar mist op chronische wijze de spanning en suggestie die deze film ten toon spreidde. Als het puur je intentie is om mensen te zien die op gruwelijke wijze in stukken worden gehakt, ben je hier aan het goede adres, al zal zelfs de hardcore liefhebber moeten toegeven dat het allemaal betrekkelijk saai wordt. Ermey zorgt nog voor enig vermaak, maar hij is zo’n beetje het enige lichtpuntje dat de film te bieden heeft. Er is nauwelijks spanning, amper humor, en ook geen pulpwaarde. Dit maakt deze film behoorlijk nutteloos. Het is nu wel weer eens tijd voor een nieuw kunstje na steeds diezelfde zaagpartijen in het slachthuis in Texas. Seriemoordenaar Jason werd de ruimte in geschoten voor ‘Jason X’. Misschien is dat een idee?

Bart Rietvink