March of the Penguins – La marche de l’empereur (2005)

Regie: Luc Jacquet | 85 minuten | familie, documentaire | Originele stemmencast: Morgan Freeman | Nederlandse stemmencast: Urbanus

Dat bioloog Luc Jacquet gefascineerd is door pinguïns is evident. Die fascinatie ontstaat als hij als cameraman meewerkt aan ‘Der Kongress der Pinguine’ (1993) van Hans-Ulrich Schlumpf. Niet alleen de pinguïns zelf, maar ook de extreme omstandigheden waaronder ze hun jongen krijgen en die grootbrengen, blijken Jaquet mateloos te boeien. Dat is goed te zien in ‘March of the Penguins’ (‘La marche de l’empereur’) waarin keizerspinguïns hun jaarlijkse odyssee in Antarctica volbrengen.

Keizerpinguïns brengen hun leven grotendeels in het water door, maar hun paar- en broedplaatsen bevinden zich aan land, op enorme ijsvlakten in de oceaan, waar ze ook hun jongen grootbrengen totdat die zelfstandig zijn. Dit levert imponerende en soms vertederende beelden op: lange rijen pinguïns die eindeloze afstanden over de ijsvlakten afleggen op weg naar hun broedplaatsen of weer terug naar het water, grote groepen broedende mannetjes pinguïns die huiveringwekkende sneeuwstormen trotseren, het uitkomen van de eieren en de pinguïnkuikens die de ijswereld verkennen. Ook de onderwateropnamen van de vrouwtjes die na het leggen van de eieren op zoek gaan naar voedsel zijn fantastisch. Verder zijn er natuurlijk prachtige opnamen van het soms oogverblindend mooie zuidpoolgebied zelf: de enorme ijsvlakten waarover de pinguïns zich verplaatsen, een vuurrode zonsondergang in een landschap met ijsbergen, poollicht dat langs de hemel zwaait en zwiert…

Tijdens het kijken van die film bekruipen je verschillende gevoelens. Ten eerste een enorme verwondering over de evolutie: hoe is het mogelijk dat die geresulteerd heeft in zon moeizaam voortplantingsproces. Dat het overleven van een individu en soort zoveel moeite en volharding vraagt, wekt af en toe schaamte op. Ten tweede vraag je je af hoe ‘March of the Penguins’ gemaakt heeft kunnen worden, hoe de crew 120 uur film heeft kunnen schieten onder deze omstandigheden. Zelfs in een behaaglijk warme bioscoop krijg je het koud als je de mannetjes met gebogen koppen bij elkaar ziet schuilen tegen de ijskoude stormwinden. Hierbij doet zich overigens een mooi voorbeeld voor van sociaal Darwinisme: de pinguïns beschermen elkaar tegen de kou met hun lichaamswarmte en schuifelen om de beurt naar het midden van de groep om op te warmen, om daarna weer aan de randen dienst te doen.

Een echte documentaire is ‘March of the Penguins’ niet. Informatie over het hoe en waarom over het gedrag van de pinguïns wordt niet of nauwelijks verstrekt. En dat wordt niet ondervangen door het feit dat er nog veel onbekend is over het leven van de pinguïns, zoals in de aftiteling wordt opgemerkt. De voice-over van de Nederlandse versie (komiek Urbanus die door zijn Vlaamse accent niet altijd even goed verstaanbaar is) beperkt zich tot sporadisch commentaar. Dat is misschien bedoeld om het de jonge kijkertjes niet moeilijk te maken. Evenals de soms sterk geromantiseerde kijk op het pinguïnleven; dat het leven van pinguïns hard is, is duidelijk, maar dat roofdieren daaraan minstens zo veel bijdragen als de ijzingwekkende omstandigheden, komt niet echt uit de verf. De effecten van het broeikaseffect komen helemaal niet aan de orde.

Jacquet is laconiek onder deze kritiek. Hij wil het publiek niet wegjagen met natuurwetenschappelijke of moralistische verhandelingen. Hij heeft een film willen maken over de zuidpool, het gebied waaraan hij zijn hart verloren heeft, en dat is wonderwel gelukt.

Iris Schreurs