Indiana Jones and the Temple of Doom (1984)

Regie: Steven Spielberg | 114 minuten | actie, thriller, avontuur | Acteurs: Harrison Ford, Kate Capshaw, Amrish Puri, Roshan Seth, Philip Stone, Ke Huy Quan, Roy Chiao, David Yip, Ric Young, Dan Aykroyd

Spielberg heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij ‘The Temple Of Doom’ als de minste van zijn Indiana Jones-films beschouwt. ‘The Raiders of the Lost Ark’ is een film die hij gewoon zelf zonder ongemakkelijke gevoelens kan bekijken, als een vermakelijke film in zijn eigen recht, maar ‘The Temple of Doom’, daarentegen, koestert hij vooral omdat hij op de set van deze film zijn vrouw heeft ontmoet, hoofdrolspeelster Kate Capshaw.

Er valt inderdaad iets voor te zeggen dat deze film minder geslaagd is dan zijn twee broertjes. Om te beginnen staat er hier minder op het spel, of lijkt dit zo te zijn. Natuurlijk is het nobel en niet onbelangrijk om alle kinderen van het Indiase dorpje te bevrijden, maar het is toch minder groots en omvattend dan de heilige ark of graal uit de handen van de nazi’s houden, die hiermee de wereld zouden kunnen veroveren. Dit heeft ook te maken met de herkenbare schurken in de andere delen. De nazi’s zijn ideaal als verpersoonlijking van het Kwaad en behoeven eigenlijk geen introductie. Je weet als kijker meteen waar je aan toe bent.

De kunstobjecten, de Sankara stenen, spreken dit keer ook een stuk minder tot de verbeelding, zeker voor een Westers publiek. Maar belangrijker in dit geval is de aanvankelijke betrokkenheid van Indiana bij deze objecten. Het is niet een sterke persoonlijke drang of noodzaak waardoor hij vanaf het begin af aan naar de objecten op zoek gaat, zoals het geval was in de andere delen. In “Raiders” en “Crusade” werd bovendien de mythe of magie van de objecten vanaf het begin bij de kijker in de verbeelding gevestigd, waardoor het al voor ons ging leven en er steeds een duidelijk, groots doel voor ogen was. In het geval van ‘The Temple of Doom’ ontsnapt “Indy” eerst aan zijn belagers, springt vervolgens uit een vliegtuig om zijn leven te redden, en komt dan in een Indiaas dorpje terecht waar toevalligerwijs een magische steen gestolen is. Tegelijkertijd zijn er kinderen gekidnapt. Het noodzakelijke archeologische element en het menselijke aspect zijn op deze manier op een beetje een geforceerde manier geïntroduceerd. Heel erg is dit niet, maar het maakt het geheel toch iets minder urgent.

Jammer is verder dat het grootste deel van ‘Indiana Jones and the Temple of Doom’ zich in een betrekkelijk geïsoleerde ruimte afspeelt: de tempel uit de titel. “Raiders” en “Crusade” waren weidser en epischer in dit opzicht. De halve wereld werd afgereisd om informatie of objecten te kunnen verzamelen of bepaalde mensen te kunnen spreken of oppikken.

Toch zijn dit geen van allen aspecten die de filmervaring erg nadelig beïnvloeden. Het blijft gewoon een zeer vermakelijke film, die sterke kanten en hoogtepunten heeft die veel van de bezwaren weten te compenseren. Zo is het louter gebruiken van de tempel als locatie aan de ene kant beperkend, maar aan de andere kant is het een voordeel vanwege het beklemmende, claustrofobische aspect. Verder kun je het als een nadeel zien dat we nu niet met de ouderwetse avonturen van de andere Indiana Jones films van doen hebben, maar voor de liefhebber van een griezelige, sinistere sfeer is dit deel een succes. In navolging van ‘The Empire Strikes Back’ wilden George Lucas en Steven Spielberg voor dit tweede deel een veel donkerder toon aan de film verbinden. En dit is gelukt. De voodoo praktijken, het aanbidden van de kwade God Kali, en in het bijzonder de mensenoffers waarbij het hart uit het lichaam wordt gerukt, bezorgen je koude rillingen. Ook Indiana Jones zelf kennen we op een gegeven moment niet meer terug wanneer hij door het drinken van het bloed van Kali (uit een lugubere schedel) in een trance raakt, de Zwarte Slaap genaamd. Verder zijn natuurlijk de extreme gerechten die onze vrienden krijgen voorgeschoteld, zoals apenhersenen, heerlijk griezelig, net als de kerker vol met insecten waar Capshaw doorheen moet. Één van de hoogtepunten wat spanning en horror betreft is de scène waarin Indy en Short Round vast komen te zitten in een kamer waar een plafond vol speren omlaag komt.

Er komen ook nog genoeg ouderwetse avonturen- en actiescènes in voor, zoals een bergafdaling per opblaasboot, een spannende confrontatie op een hangbrug, en natuurlijk de onvergetelijke mijnkarretjesachtervolging (die overigens eigenlijk gepland was voor “Raiders”).

Het vrouwelijke hoofdpersonage is hier een stuk labieler dan in “Raiders”, waar de pittige Marion goed tegengas gaf aan Indy. Hoewel een bangig personage weliswaar beter werkt in deze context, had iets minder hysterie ook gekund. De kleine “sidekick” van Indiana, Short Round, is in ieder geval een schot in de roos. Bij de casting kwam hij eigenlijk zijn broertje assisteren toen bleek dat hij zelf veel beter geschikt was. Zijn komische opmerkingen en de band die hij heeft met Indy (en de manier waarop hij hem probeert te imiteren) zijn een aanwinst.

Ondanks de kritiekpunten en de afwijkende sfeer in de film, is ‘Indiana Jones and the Temple of Doom’ toch zeker een geslaagd deel uit de Indiana Jones-serie, wat Spielberg er zelf ook van mag denken.

Bart Rietvink

Waardering: 4

Bioscooprelease: 12 juli 1984