Fanny & Alexander – Fanny och Alexander (1982)

Regie: Ingmar Bergman | 312 minuten | drama, fantasie | Acteurs: Kristina Adolphson, Börje Ahlstedt, Pernilla Allwin, Kristian Almgren, Carl Billquist, Axel Düberg, Allan Edwall, Siv Ericks, Ewa Fröling, Patricia Gélin, Majlis Granlund, Maria Granlund, Bertil Guve, Eva von Hanno, Sonya Hedenbratt

De klassieke Bergman-film ‘Fanny & Alexander’ was altijd al sterk autobiografisch, en daarnaast een bijzondere en intense kijkervaring, maar met het verschijnen van de integrale versie van maar liefst 319 minuten – ruim twee uur langer dan de bioscoopversie – gaan het inzicht en de onderdompeling in de levens van Fanny en Alexander en hun familie nog een stapje verder. De kijker maakt nu alles zo ongeveer in real time mee: de uitbundige feestjes, de roddels en overpeinzingen, de liefdevolle (amateur)theateropvoeringen van de familie Ekdahl en vrienden, maar ook sterfgevallen en persoonlijke tragedies. Het maakt van ‘Fanny & Alexander’ een aangrijpend, overdonderend en ronduit onvergetelijk stukje cinema. Nog meer dan voorheen.

De extra lange speelduur van deze miniserie – de vorm die Bergman oorspronkelijk voor ogen had – zorgt voor extra verdieping en een intensievere kennismaking met de familie Eckdahl en hun vrienden (en vijanden), maar het betekent ook dat de kijker een paar eindeloos lijkende episodes en scènes voor de kiezen krijgt. De eerste circa dertig minuten zijn het zwaarst. Enerzijds vanwege de verlengde scènes, met voortdurende dialogen en frivoliteiten tijdens het kerstfeest van de Ekdahls, en anderzijds vanwege de introductie in dit specifieke milieu en binnen deze specifieke familie, die aanvankelijk waarschijnlijk wat afstandelijk of op zijn minst als lichtelijk excentriek zal overkomen.  Het aristocratische milieu, met de wat protserige aankleding en versiering van de vertrekken en de typische gewoontes van de gezinsleden (zowel heel elitair als heel onbehouwen) hebben even tijd nodig om als “normaal” gezien te kunnen worden.  Maar wanneer dat gebeurt is het welhaast onmogelijk om weg te kijken en mag er geen moment meer worden gemist in de levens van dit bonte gezelschap. De film kruipt langzaam maar heel zeker onder de huid van de kijker en blijft daar zitten tot de aftiteling voorbij is. En nog lang daarna.

In deze ‘Fanny’ wordt bijna elk personage uitgediept met als gevolg dat de grote onpersoonlijke groep van het begin aan het eind een rijk gezelschap is van mensen met allemaal hun eigen verhaal en hun bijzondere onderlinge verhoudingen. Elk personage krijgt kleur of een menselijk gezicht. Zelfs de grootste duivel van de film – Edvard Vergerus, de dominee  die Emilie en haar kinderen (Fanny en Alexander) in een strak keurslijf houdt en Alexander op vreselijke wijze disciplineert – heeft een scène in de laatste akte van de film waarin nog ergens een sprankje begrip of sympathie voor hem ontstaat. Hij toont eindelijk eens zijn “zwakte” door over zijn onzekerheden en verkeerde inschattingen te praten. Maar verder is het een woedend makend personage die het bloed onder de nagels vandaan haalt door zijn stoïcijnse, koele houding en zijn wreedheid jegens Alexander.

Ook Gustav Adolf, die rare, oversekste snuiter die in het begin van de film alleen maar achter dienstmeisjes aan zit, wordt uiteindelijk de gekke oom met het gouden hart die je in je hart sluit. De manier waarop hij het later in de film opneemt voor Emilie en de dominee een flinke veeg uit de pan geeft is zowel erg komisch als ontroerend. Het maakt je toch trots dat je hem “kent” en gelukkig dat hij deel uitmaakt van “de familie”. Zelfs de onzekere maar tevens onuitstaanbare Carl – die zijn (half-)Duitse vrouw voor rotte vis uitmaakt – stijgt op den duur (in diezelfde confrontatiescène) in achting.

Alles valt in deze integrale versie van ‘Fanny & Alexander’ op zijn plaats. De fantastische verhalen van oom Isak, de vader van Alexander, en van Alexander zelf complementeren de symbolisch bedoelde en onheilspellende momenten prima. Er is duisternis in het leven van Alexander, dit valt niet te ontkennen. De dominee zit hem vrijwel de hele film op zijn huid en probeert zijn kinderlijke verwondering compleet uit te bannen. Deze duisternis komt in de film ook terug in een serie vreemde en verontrustende ontmoetingen in het huis van oom Isak, waarin ook het theatrale aspect dat deel uitmaakt van de gehele familie, terugkomt. Het idee dat iedereen een rol – of verschillende rollen – speelt in het leven, en steeds een ander masker moet dragen, wordt meerdere keren gecommuniceerd in de film.  En de laatste woorden in de film laten er geen twijfel over bestaan dat Bergman een specifieke boodschap wil uitdragen.

De verbeeldingskracht is essentieel in het leven van de mens, en deze dient niet ingeperkt te worden, maar gekoesterd en gestimuleerd. En “volwassen worden” is niet altijd de weg naar een wijs of gelukkig leven. Een kind moet kind kunnen zijn. De hele wereld moet voor hem open liggen en alles moet bedacht of gedroomd kunnen worden. Dan kun je echt van vrijheid spreken. De vrijheid om je eigen geluk te maken.

Bart Rietvink

___________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Recensie van de versie van 188 minutenGepubliceerd op 14 mei 2008:

‘Fanny Och Alexander’ was Bergmans laatste bioscoopfilm en is naar eigen zeggen een mooi testament voor de regisseur. En misschien is dit wel omdat het geen verhaal is, geen toneelstuk, maar een serie vignetten die verschillende fasen in en aspecten van het leven weergeeft. Het leven van de hoofdpersonages Fanny en Alexander, maar ook van hun directe omgeving en familie. Ook personages die in eerste instantie slechts ter achtergrond lijken te dienen krijgen vaak een verrassende diepgang. En het scala aan emoties en sfeerzettingen is divers. Het ene moment lijkt de film op een kluchtige sekscomedy en even later ontaardt een gesprek tussen enkele personages op leeftijd in een melancholische bespiegeling over vergankelijkheid en het leven zelf. Het is deze gelaagdheid en diversiteit, en het onvermogen om de film makkelijk in een hokje te plaatsen die de film voortdurend interessant houdt en de kijker blijft prikkelen.

Het zou goed kunnen dat de film zo boeiend is geworden omdat er geen typische filmbenadering is aangehouden voor het verhaal. Bergman had ‘Fanny Och Alexander’ bedoeld voor de televisie, als een soort essay dat in verschillende delen uitgezonden kon worden. De uiteindelijk filmversie is weliswaar ingekort, maar geeft eenzelfde soort brede blik op het onderwerp.

Toch gaat het primair over kinderen en het verliezen van hun onschuld, verwondering en verbeeldingskracht. En over de poging van volwassenen om deze eigenschappen uit te roeien. Of in ieder geval één volwassene in het bijzonder, de sadistische priester die de stiefvader wordt van Fanny en Alexander. Een pijnlijke, maar memorabele scène is die waarin Alexander door zijn stiefvader met een stok geslagen wordt omdat hij een kleurrijke leugen had verteld. Het is het begin van het einde van Alexanders onbevangenheid en zijn kennismaking met de wrede grote mensenwereld.

In het begin lijkt Bergman al even te hinten naar corrumpering en beschadiging van de kinderlijke onschuld door volwassenen, wanneer Alexander en een stel andere kinderen door een oom naar een rustig plekje in het huis wordt meegenomen, waar hij vervolgens zijn broek laat zakken. Dit gaat toch niet de kant op waar het naartoe lijkt te gaan? Nee, het blijkt juist een viering te zijn van de vrijheid en schaamteloosheid van het kind die later bestraft zal worden. De oom blijkt namelijk een begenadigd schetenlater en wil dit even optimaal demonstreren.

Wanneer je denkt dat elk register wel gespeeld is in de film, komt in de laatste akte nog een duistere religieus getinte episode voor waarin Alexander een lichtelijk verontrustende confrontatie heeft met een eigenaardige poppenspeler. Dit kleine donkere sprookje lijkt niet geheel in de film te passen maar misstaat toch niet, aangezien het simpelweg een facet van Alexanders jeugd is, dat al dan niet symbolisch opgevat dient te worden.

Wellicht dat de film zo authentiek overkomt omdat veel ervan zijn basis vindt in de persoonlijke ervaringen van Bergman, die in eenzelfde rijk milieu opgroeide en zich omringd wist door vergelijkbare familieleden. Hoewel er zeer sterke onafhankelijke scènes in de film zitten, is het uiteindelijk toch vooral de hele verzameling momenten en elementen uit het leven van deze twee kinderen, en van hun kleurrijke, doorgaans innemende familieleden, die ‘Fanny Och Alexander’ tot zo’n unieke ervaring maakt. En inderdaad een prima testament voor meesterfilmer Ingmar Bergman.

Bart Rietvink