Deerskin – Le daim (2019)

Recensie Deerskin CinemagazineRegie: Quentin Dupieux | 77 minuten | komedie | Acteurs: Jean Dujardin, Adèle Haenel, Albert Delpy, Coralie Russier, Laurent Nicolas, Marie Bunel, Pierre Gommé, Caroline Piette, Stéphane Jobert, Géraldine Schitter, Panayotis Pascot, Youssef Hajdi, Simon Thomas, Tom Hudson, Maryne Cayon

De naam Quentin Dupieux zegt je misschien niet direct iets, maar als je weet dat hij de man is achter Mr. Oizo dan gaat er wellicht een belletje rinkelen. Rond de eeuwwisseling trok hij de aandacht met een gele lappen pop genaamd Flat Eric, die niet alleen de show stal in een commercial voor een spijkerbroekenmerk waarin hij al ‘bouncend’ op de beat rond mocht rijden in een pick-up, maar tevens de hitlijsten bestormde met het electro-danceliedje ‘Flat Beat’. Het nummer zelf stelde niet zo veel voor en ging vanwege het zich telkens herhalende loopje snel vervelen, maar dankzij Flat Eric was de videoclip erg leuk om naar te kijken. Dupieux bleef nadien muziek maken, maar de successen beperkten zich voornamelijk tot zijn thuisland Frankrijk. Na een tijdje verlegde hij zijn focus richting film. In 2010 verscheen zijn absurdistische horrorfilm ‘Rubber’, over een rubberband die zich ontpopt tot een seriemoordenaar. ‘Wrong’ (2012) gaat over een man die de wereld net even anders ziet dan anderen en in ‘Reality’ (2014) moet een aspirant-filmmaker op zoek naar een zo realistisch mogelijke pijnschreeuw om een producent zo ver te krijgen geld in zijn film te steken. Dupieux’ films zijn vaak surrealistisch en hebben een zwartgallig gevoel voor humor. Dat geldt ook voor ‘Deerskin’ (‘Le daim’) uit 2019, waarbij hij niemand minder dan Oscarwinnaar Jean Dujardin (‘The Artist’, 2011) wist te strikken voor de hoofdrol.

George (Jean Dujardin) ligt overhoop met zijn vrouw. Maar dat lijkt hem niet te deren. Hij heeft op de Franse Marktplaats zijn droomjas gevonden, plunderde zijn spaarrekening en doorkruist nu het hele land om het bruine, honderd procent hertenleren kleinood op te halen. Zevenduizend euro legt hij neer bij de verkoper (Albert Delpy, vader van actrice Julie Delpy). Vanaf nu is hij platzak, maar omdat hij op slag verliefd wordt op de jas neemt hij dat voor lief. Eigenlijk is de jas hem totaal niet op het lijf geschreven – het is te kort, zit te strak en valt oerlelijk! – maar George is helemaal in zijn nopjes. Hij praat zelfs tegen het ding, als het om de stoel in zijn smoezelige hotelkamer hangt te pronken. Omdat de verkoper zo blij was met de smak geld die George voor de jas overhad, deed hij er een analoge videocamera bij cadeau. George heeft aanvankelijk geen idee wat hij daarmee moet, maar al snel besluit hij opnamen te maken van de jas, en van zichzelf als hij de jas draagt. In een café vertelt hij barmedewerkster Denise (Adèle Haenel, die eerder dit jaar al schitterde in ‘Portrait de la jeune fille en feu’) desgevraagd dat hij filmmaker is en in het alpendorp is om een film te draaien. Denise biedt aan hem te helpen – ze monteert op amateurbasis filmbeelden – en samen bedenken ze een plot. George wil de enige persoon op de wereld zijn die een jas mag dragen, en zijn jas vertelt hem dat hij ervan droomt de enige jas te zijn op de hele wereld die gedragen mag worden. Georges hertenleren outfit wordt aangevuld met een bijpassende hoed, broek en handschoenen. Hoe meer hertenleer hij aan heeft, hoe geschifter hij lijkt te worden in het tot uitvoering brengen van zijn plannen.

Jean Dujardin is een eigenwijze man. Menigeen was na het winnen van een Oscar voorgoed naar Hollywood vertrokken, maar de Fransman bleef lekker dicht bij huis. Natuurlijk deed hij wel enkele films in de VS (‘The Wolf of Wall Street’ in 2013 en ‘The Monuments Men’ in 2014), maar verder werkte hij uitsluitend met Franse filmmakers. Niet omdat de Amerikanen (of Britten) hem niet willen hebben, maar omdat hij graag zelf zijn rollen, en de invulling daarvan, bepaalt. Een instelling die te prijzen is, want zo blijft hij dicht bij zichzelf. In Frankrijk staat de charmante Dujardin bekend als komisch acteur, die faam verwierf met typetjes als Brice de Nice, een oliedomme wannabe-surfer (uit Nice dus) met lang, peroxideblond haar in een wetlook. George uit ‘Deerskin’ is een heel ander personage, maar past met zijn eigenaardigheden wel goed in het oeuvre van Dujardin. Verhaaltechnisch stelt de film met zijn flinterdunne plotje niet zo veel voor. In plaats daarvan drijft ‘Deerskin’ in zijn geheel op de acteurs, de personages, de humor en de surrealistische gebeurtenissen. Een man die praat met zijn jasje; op papier klinkt het niet als hele spannende cinema, maar omdat het Dujardin is blijven we geboeid kijken. Dupieux trakteert ons op een handvol kleine hoogtepuntjes: de scène waarin George zijn ring van een dode hotelmedewerker probeert terug te pakken bijvoorbeeld, of Denise die haar geheel eigen kijk op ‘Pulp Fiction’ (1994) geeft. En wat er allemaal mogelijk blijkt met de bladen van een oude ventilator, laat George ons hier op angstaanjagende wijze zien.

De scheidslijn tussen onschuldige lolligheden en knettergekke uithalen blijkt flinterdun. Wat is er toch zo bijzonder aan die lelijke cowboyjas? Waarom verliest George zich daar zo in? Backstory krijgen we amper, we weten alleen dat hij voor zijn vrouw niet meer bestaat en dat hij sinds de aankoop van zijn nieuwe jas geen geld meer op zijn rekening meer heeft staan. In een absurdistische film als deze, die met 77 minuten lekker vlot doorkijkt, maakt het eigenlijk niet zo veel uit dat we de personages niet persoonlijk leren kennen. George lijkt zichzelf toch niet te zijn als hij zijn jasje aanheeft. Hij bluft zich overal doorheen en is zelf in de veronderstelling dat het hertenleren kledingstuk hem een hele meneer maakt. Hij moest eens weten! Dupieux maakte met ‘Deerskin’ zijn meest toegankelijke film tot nu toe, waarbij hij in zijn handen mag wrijven met topacteurs Dujardin en Haenel, een heerlijke soundtrack, de beklemmende setting in de bergen en de mogelijkheid om de ironie tot op metaniveau door te voeren.

Patricia Smagge

Waardering: 3.5

Bioscooprelease: 19 december 2019