La double vie de Véronique (1991)

Regie: Krzysztof Kieslowski | 94 minuten | drama, romantiek | Acteurs: Irene Jacob, Philippe Volter, Sandrine Dumas, Wladyslaw Kowalski, Halina Gryglaszewska, Kalina Jedrusik, Aleksander Bardini, Jerzy Gudejko, Janusz Sterninski, Louis Ducreux, Claude Duneton, Lorraine Evanoff, Guilllaume De Tonquedec, Gilles Gaston-Dreyfus, Alain Frérot, Youssef Hamid, Thierry de Carbonnières, Chantal Neuwirth, Nausicaa Rampony, Boguslawa Schubert, Jacques Potin, Bernadetta Kus, Anna Gornostaj

Kieslowski heeft in een interview verklaard dat het script van ‘La double vie de Véronique’ complex en abstract is vanwege de te grote directheid die woorden zouden herbergen wanneer ze de emoties in de film zouden moeten uitdrukken. “Het zou bijna banaal overkomen”, aldus Kieslowski. Echter, dat betekent niet dat de film in feite banaal ís en dat dit verbloemd wordt door filmische technieken. Misschien betekent het namelijk wel dat sommige emoties geen recht kunnen worden gedaan met woorden. Dat de complexiteit en ambiguïteit van de gevoelens niet gedefinieerd kunnen worden en in plaats daarvan ervaren moeten worden via de zielenroerselen van de voelende persoon zelf. Hiervoor is het van essentieel belang dat er een acteur of actrice wordt ingehuurd die haar gevoelens als het ware tastbaar kan maken voor het publiek. En Irène Jacob is zonder meer zo’n actrice.

Het zou een understatement zijn om te zeggen dat ze het stralende middelpunt van de film is, of dat ze de film goed weet te dragen. Jacob ís gewoonweg de film. Niets ten nadele van het formidabele camerawerk van Slawomir Idziak en de geweldige tragisch-lyrische muziek van Zbigniew Preisner, maar zonder Jacobs expressieve acteerwerk en haar natuurlijke charme was de film niet half zo effectief geweest. Complexe emoties die voor de personages zélf ook niet goed te duiden zijn, komen op intrigerende wijze tot uiting in Jacobs acteerwerk. Zo moet ze na een vrijpartij (en het ervaren van “la petite morte”) een emotie tonen die voelt als triestheid maar het niet letterlijk is. Er is namelijk zojuist iets gebeurd met Weronika, Véronique’s Poolse dubbelgangster, van wier bestaan zij geen weet heeft. Een onverklaarbaar verdriet maakt zich hierdoor meester van Véronique, wat haar minnaar maar heeft te accepteren door naar huis te gaan. Nog een mooi ambigue acteermoment vindt plaats wanneer Véronique net weggevlucht is van een stalker en hem vervolgens vanachter een deur observeert terwijl hij naar haar op zoek is. Eigenlijk is ze ontdaan vanwege de streek die hij haar geleverd heeft, maar tegelijkertijd raakt ze vertederd door de moeite die hij voor haar doet en de manier waarop hij zichzelf belachelijk maakt. De film staat bol van dit soort onbestemde, moeilijk te duiden emoties. Volgens Kieslowski is het noodzakelijk dat acteurs iets, of veel, van zichzelf in een rol leggen. Pas als er iets persoonlijks in de rollen zit, wordt het geschreven personage meer dan slechts een cliché en kunnen de toeschouwers zich herkennen in wat en wie ze in beeld zien. Het voordeel van Irène Jacob was, volgens Kieslowski, “dat ze haar hele leven meenam”. Ze was niet bang om haar angsten en vreugdes bloot te geven; persoonlijke elementen die de meeste mensen geneigd zijn te beschermen.

Naast Jacobs gave om innerlijke emoties op subtiele wijze naar buiten te brengen, is haar hele voorkomen een genot om te aanschouwen. Ze bevat een gedistingeerde schoonheid die een soort naïeve jeugdigheid combineert met gratie en sensualiteit. De camera houdt van Jacob, of het nu haar (naakte) lichaam betreft, of haar langzaam veranderende gezicht(suitdrukkingen). Jacob wordt op een manier in beeld gebracht die de film bijna tot een liefdesgedicht aan de actrice maakt. Ze is optimaal in het beeld gepositioneerd en beweegt zich vaak op zeer gracieuze wijze door het beeld, zoals wanneer ze na een telefoongesprek opgewekt naar de rand het bed rolt om uit het raam te gaan kijken.

De belichting is ook adembenemend, waarbij de kleur groen prominent wordt gebruikt en de film een droomachtig aura bezorgt. Kieslowski zou later op een vergelijkbare manier kleuren inzetten voor zijn trilogie ‘Bleu’, ‘Blanc’, en ‘Rouge’. Dat brengt ons meteen bij het tweede essentiële element van deze film: de sfeer. Als deze niet sterk en bijzonder genoeg zou zijn, zou de film niet werken. En wederom slaagt ‘La double vie de Véronique’ hier wonderwel. Het verhaal is diffuus en kent enkele niet goed te plaatsen zijsporen, maar de sfeer is bijzonder effectief.

Het verhaal behoeft ook niet eenduidig te zijn en moet de kijker juist aansporen om via (al dan niet symbolische) beeldtaal zélf coherentie en zin te geven aan de personages en hun beslommeringen. Beelden die té expliciet iets proberen duidelijk te maken, beklijven niet buiten het puur esthetische aspect ervan. Hun absoluutheid en gesloten betekenis zorgt voor niet veel meer dan een kennisname van de kant van de kijker. Het beeld gaat als het ware het ene oog in, en het andere weer uit. Beelden, echter, waar meer mysterie vanuit gaat, kunnen de kijker prikkelen en nog lang na het verdwijnen ervan blijven hangen. Dit is het geval ook in ‘La double vie’. Thema’s als het zoeken naar identiteit; de (mogelijk) zeer directe, bijna spirituele, verbondenheid met anderen in de wereld; het lot; voorbestemming; en aardsere zaken als liefde, worden allen behandeld in de film, terwijl het onduidelijk is wat de “boodschap” is, of hoe deze elementen met elkaar verbonden zijn. De beelden (en geluiden) prikkelen zowel ons gevoel als ons intellect, en blijven dit doen, ook wanneer de eindtitels voorbij zijn gerold. En dit is nu precies de bedoeling. Dramatisch wat minder indrukwekkend, of in ieder geval minder tastbaar, dan bijvoorbeeld Kieslowski’s intense ‘Bleu’, en met een einde dat, in tegenstelling tot de rest van de film, toch wat te veel zélf betekenis probeert te geven, is ‘La double vie de Véronique’ desalniettemin een prachtig beeldgedicht, dat naast een visuele ode aan Irène Jacob, ook thematisch een intrigerende film is geworden. Verplichte kost dus voor iedere arthouse filmliefhebber.

Bart Rietvink