Star Wars: Episode 1 – The Phantom Menace (1999)

Regie: George Lucas | 133 minuten | actie, avontuur, fantasie, science fiction | Acteurs: Ewan McGregor, Jake Lloyd, Liam Neeson, Samuel L. Jackson, Natalie Portman, Ray Park, Ian McDiarmid, Frank Oz, Kenny Baker, Anthony Daniels, Brian Blessed, Pernilla August, Terence Stamp, Ahmed Best, Oliver Ford Davies, Adrian Dunbar

Star Wars’ – de originele trilogie uit de jaren zeventig en tachtig – is een cultureel fenomeen. Het is een serie die het filmlandschap voorgoed heeft veranderd en die wereldwijd geadoreerd werd, en wordt, door hele volksstammen. Niet zo gek dus, dat de hype voor een nieuwe ‘Star Wars’-film, zestien jaar na de laatste film, ‘Return of the Jedi’, met veel hype en opwinding tegemoet werd getreden. Dat kon natuurlijk alleen maar tegenvallen. ‘Star Wars’ heeft het science fiction-genre nieuw leven ingeblazen eind jaren zeventig, net zoals ‘The Lord of the Rings’ dit deed voor het fantasy-genre aan het begin van de 21ste eeuw. Sindsdien zijn er vele soortgelijke science fiction-avonturenfilms langsgekomen en is de kijker heel wat gewend op het gebied van special effects. Dus George Lucas moet wel ongeveer een perfecte film maken, die net zo vernieuwend en verbazingwekkend is als destijds, om de toeschouwers (in ieder geval de fans van toen) tevreden te stellen. Een onmogelijke opdracht dus. Want, inderdaad ‘Star Wars – Episode I: The Phantom Menace’, valt behoorlijk tegen. Maar dit heeft niet alleen maar met hooggespannen verwachtingen te maken. Ook al is de film uiteindelijk wel degelijk de moeite waard en bij vlagen zeer vermakelijk en prachtig om te zien, hij ontbeert simpelweg de energie, de humor, en de aansprekende personages van de eerste trilogie.

Een voor de hand liggend probleem is dat er veel personages geïntroduceerd moeten worden omdat het hier om een oorsprongsverhaal gaat. Yoda mag uiteraard niet ontbreken, evenmin als (de hier nog “onschuldige”) senator Palpatine, Obi-Wan Kenobi – de latere mentor van held Luke Skywalker, de duistere Sith Lord Sidious, koningin Amidala (Natalie Portman), de toekomstige moeder van Luke en prinses Leia, en natuurlijk haar toekomstige echtgenoot, Anakin Skywalker, alias schurk Darth Vader, hier nog een onschuldig klein – en tamelijk onuitstaanbaar – kind. Dit zijn toch allemaal behoorlijk belangrijke personages, die echter geen van allen genoeg ruimte krijgen om een persoonlijkheid te vormen.

Zo is Ewan McGregor prima gecast als de jeugdige Obi-Wan Kenobi (een rol onsterfelijk gemaakt door de onnavolgbare Sir Alec Guinness), maar krijgt hij nauwelijks de kans om zich van zijn charmante kant – of wat voor kant dan ook – te laten zien, omdat hij maar een beetje mee moet lopen met zijn mentor Qui-Gon Jinn (Liam Neeson), die op zijn beurt sereen en wijs overkomt maar ook niet bepaald van het scherm spettert. Publiekslieveling Yoda mag vanaf zijn zetel in de Yedi-raad soms enkele wijze woorden spuien – waarvan de belangrijkste: “Fear leads to anger. Anger leads to Hate. Hate leads to… suffering.”, wanneer hij wijst op de gevaren van negatieve gedachten – maar meer dan een bijrol kan het niet genoemd worden. Jammer is dat één van de grootste rollen toebedeeld is aan Natalie Portman, die als koningin Amidala de meeste extravagante hoofdtooien moet dragen, monotoon moet spreken en verveeld voor zich uit moet kijken, vermoedelijk om zo zakelijk en koninklijk mogelijk over te komen.

Het helpt ook niet dat het centrale verhaal draait om zoiets weinig aansprekends als het opleggen van belastingen door een handelsfederatie. Kennelijk zijn hier toch zoveel belangen mee gemoeid dat er levens en onschuldige planeten bedreigd moeten worden door de schurken. Reden voor Amidala om onder te duiken met behulp van de stoere Jedi-ridders, de legendarische beschermers van orde en vrede in het universum.

Gelukkig is Amidala in haar ondergedoken vorm – dan heet ze Padmé – een stuk menselijker en is er zelfs verschillende keren een lach op haar mooie gezichtje te ontdekken. Ze raakt vooral vertederd door de kleine, vindingrijke, slaaf Anakin, die een duizelingwekkende ruimterace (een”podrace”) om zijn vrijheid te kunnen verdienen en in de leer te kunnen gaan bij Jedi Qui-Gon. Deze heeft namelijk een hele sterke aanwezigheid van de “Force” (de kracht die zich overal om ons heen bevindt en het universum in stand houdt) in hem ontdekt en heeft zijn zinnen gezet op de training van de kleine Anakin. Anakin, gespeeld door Jake Lloyd werkt soms lichtelijk op de zenuwen door zijn overdreven “Yippie!”-kreetjes, maar hij doet toch vooral wat hij moet doen: ass kicken in de spectaculaire pod race!

De fantastische pod-race is ongetwijfeld het hoogtepunt van de film, één van de schaarse gedeeltes in de film die echt meeslepend zijn. Om te beginnen is het (openlucht)stadion waar de race begint al prachtig en uitgebreid geanimeerd, met hordes bont uitgedoste toeschouwers van verschillende (buitenaardse) rassen, en met een leuke cameo van Jabba the Hut, de zwaarlijvige handelaar uit de originele trilogie waar Han Solo (Harrison Ford) het mee aan de stok krijgt. De tweekoppige commentator is grappig en hun door de luidspreker versterkte stemmen geven de kijker het gevoel dat hij bij een formule 1-wedstrijd zit. Maar het is veel meer dan dat. De toestellen waarmee de deelnemers het tegen elkaar opnemen zijn mooi en creatief vormgegeven scheurijzers en allemaal anders. De manier waarop ze door de woestijn heen razen en de geluiden die de motoren maken wanneer ze voorbij sjezen (of bijna uit elkaar vallen), doen het adrenalinegehalte alleen nog maar meer stijgen. Ook de manier waarop de race gefilmd en gemonteerd is – dan weer een shot vanuit de cockpit (alsof je middenin de race zit), dan weer een reactieshot van een tegenstander, en vervolgens een overzichtsshot van boven – houdt de spanning er goed in. Het is een heerlijke achtbaanrit.

Er is zeker nog meer te beleven in ‘The Phantom Menace’. Één van de leukste nieuwe personages – misschien wel leukste van de hele film – is een insectachtige handelaar genaamd Watto, die de rechtmatige eigenaar is van Anakin en zijn moeder en een moeilijke tegenstander te zijn in Qui-Gons onderhandelingen met hem. Hilarisch is de scène waarin Qui-Gon tevergeefs probeert de “Jedi-gedachtentruc” (waarmee de gedachten van zwakke geesten te manipuleren te zijn) op hem te gebruiken om zo een goede deal te krijgen. Qui-Gon kan met zijn hand zo vaak voor zijn gezicht bewegen als hij wil, maar de sluwe Watto geeft steeds zijn eigen starre antwoord, schor lachend dat de Jedi-trucs op hem niet werken.

Maar er zijn ook verschillende omgevingen om van te genieten, niet in de laatste plaats de door ronde vormen en koperkleuren gedomineerde onderwaterwereld van een volk met de naam “Gungans”, waar de twee Jedi-ridders door de klunzige Gungan Jar-Jar Binks heen worden gebracht. Wanneer de Jedi’s hier weer vertrekken laat regisseur Lucas nog even terloops zijn liefde voor vreemde wezens en monsters – en zijn gevoel voor knipogende humor – zien door het vaartuig van de Jedi’s aan te laten vallen door een enorme vis, die op zijn beurt weer verslonden wordt door een nog grotere vis, die op zijn beurt… afijn, het is duidelijk. Met het droge inkoppertje van Qui-gon: “There is always a bigger fish”. Aan Jar-Jar zelf hoeven weinig woorden vuil gemaakt te worden. Het is vermoeiend wezen dat met zijn kinderachtige dialect en domme, hyperactieve gedrag duidelijk bedoeld is als vermaak voor de jongste doelgroep van de film. Het is nog niet zo dat hij eigenhandig de film weet te verpesten, maar een welkome aanvulling op de groep personages is hij zeker niet. De wens van Lucas om een lagere (jongere) rating te krijgen is ongetwijfeld ook de reden dat veel van de grote gevechten uiteindelijk behoorlijk bloedeloze, “veilige” ontmoetingen blijken te zijn, met slechts wat vernielde robots als resultaat en verder een hoop acrobatiek van Jar-Jar. Al moet gezegd dat de confrontatie met de als een duivel beschilderde Sith Darth Maul voor een aardige confrontatie met de twee Jedi-ridders zorgt. Gespeeld door martial arts-specialist Ray Park, laat hij een aantal mooie bewegingen zien.

‘The Phantom Menace’ heeft goede en zwakke punten maar kan toch niet echt geslaagd worden genoemd. De ziel en schwung van de eerdere films ontbreken hier grotendeels. Er is nauwelijks interessante, prikkelende interactie tussen de personages en er is niemand die de film succesvol op zijn schouders weet te nemen. In de originele trilogie was er continu spanning aanwezig binnen het trio Luke, Han en Leia door botsende karakters en romantische toespelingen. Een dergelijke dynamiek is in ‘The Phantom Menace’ niet te zien, wat natuurlijk veel te maken heeft met het ontbreken van een antiheld als Han Solo, die altijd wat extra olie op het vuur wist te gooien met zijn bijdehante opmerkingen en no-nonsens-gedrag.

Toch weet de film tussen de regels door nog vaak genoeg te boeien, wat veel te maken heeft met de grote voorkennis van de kijker. Wanneer Yoda het bijvoorbeeld over de dark side heeft en de zorgen die hij zich maakt over de labiele Anakin, zal menig kijker een tinteling over zijn ruggengraat voelen gaan omdat hij weet dat Yoda’s voorgevoel bijzonder profetisch zal blijken. Ook de gedachte dat Obi-Wan zijn latere moordenaar gaat trainen en ook de mentor zal worden van diens zoon en tegenstander Luke Skywalker, zorgt voor een opwindende extra laag in de filmbeleving. Lucas slaagt er op die manier toch in om de kijkers geboeid te houden en vol verwachting uit te laten kijken naar ‘Episode II: The Attack of the Clones’, en het slot van de “nieuwe trilogie”, ‘Episode III: The Revenge of the Sith’. Het blijft een onweerstaanbaar universum.

Bart Rietvink

‘Star Wars: Episode 1 – The Phantom Menace’ verschijnt woensdag 14 september 2011 op blu-ray.