The Biggest Little Farm (2018)

Recensie The Biggest Little Farm CinemagazineRegie: John Chester | 92 minuten | documentaire

Wanneer filmmaker John Chester en zijn vrouw Molly de verwaarloosde hond Todd in huis halen doen ze een belofte: Todd zal tot het einde van zijn leven een onderdeel van hun huishouden blijven. Toch levert de adoptie al snel een probleem op: Todd houdt maar niet op met blaffen als hij alleen wordt gelaten. Als de situatie uitmondt in een berg klachten, is de verhuurder van hun kleine appartement in Los Angeles onverbiddelijk: of de hond eruit, of John en Molly zelf. Het stel blijft trouw aan zijn belofte en kiest voor de hond. Dit was net het laatste duwtje dat de twee nodig hadden om serieus werk te maken van een grote en al lang sluimerende droom: het opstarten van een eigen biologische boerderij.

John en Molly slagen erin om voor een spotprijsje een lap grond te kopen op ongeveer een uur rijden van de City of Angels. Het is meteen duidelijk dat er nog heel wat moet gebeuren om dit stukje land om te toveren tot een biologisch landbouwparadijs. De kurkdroge bodem is ontdaan van enige vegetatie en daardoor grotendeels onvruchtbaar en keihard. Bovendien wordt de boerderij omgeven door grootschalige monoculturen en de restanten van Egg City, ooit een gigantische pluimveehouderij waar miljoenen kippen in krappe kooien hun eieren (twee miljoen per dag) legden. Met een gezonde dosis optimisme en steun van de even excentrieke als kennisrijke biodiversiteitsexpert Alan York beginnen de landbouwleken John en Molly aan hun mammoetklus. Hun doel: het kersverse bedrijf veranderen in een ecovriendelijke en zelfvoorzienende boerderij waar ook de wilde natuur kan floreren.

Dat dit geen sinecure is, blijkt uit de vele beren die John en Molly op hun weg vinden. Zo krijgt het nieuwbakken boerenpaar te maken met een slakkenplaag, coyotes die af en toe een slachting aanrichten onder de kippen en eenden die op de boerderij rondlopen, extreme droogteperiodes en overslaande bosbranden. En net als de problemen en complicaties zich opstapelen, valt ook hun mentor Alan nog weg nadat hij is gediagnosticeerd met een agressieve vorm van kanker. Toch ontwikkelt de biologische boerderij zich met vallen en opstaan tot een gezond bedrijfje en toevluchtsoord voor een allegaartje aan wilde flora en fauna. En juist die transformatie reikt ook de oplossingen aan voor de problemen waar de boerderij aanvankelijk mee kampt. John noemt het ‘creativiteit door observatie’; door goed te kijken naar de natuurlijke processen die zich overal op de boerderij voltrekken en natuurlijke ecosystemen zoveel mogelijk na te bootsen, dienen de oplossingen zich vanzelf aan. Zo besluit hij om zijn eenden los te laten in de fruitgaard, wat ertoe leidt dat de vogels zich gretig tegoed doen aan het overschot aan bladetende slakken. De eerder in de documentaire vermaledijde coyotes zorgen – in combinatie met de diverse andere roofdieren die zich na verloop van tijd op en rond de boerderij vestigen – uiteindelijk voor het oplossen van een wangzakrattenplaag.

In minder kundige handen had een film als ‘The Biggest Little Farm’ gemakkelijk kunnen uitdraaien op een gemiddelde aflevering van ‘Ik vertrek’. John Chesters achtergrond als natuurfilmer (hij maakte onder meer films voor National Geographic en Animal Planet) resulteert echter in een fraai portret van zowel de wilde dieren als boerderijdieren op zijn landgoed. We zien hoe jonge varkens, schapen en koeien ter wereld komen, maar worden tevens getrakteerd op fraaie beelden van onder meer kerkuilen, kolibries, stierslangen, wangzakratten (goffers) en een grote diversiteit aan insecten en zoogdieren.

De continu aanwezige filosofische ondertoon geeft ‘The Biggest Little Farm’ extra cachet. De levende natuur en de boerderij worden voorgesteld als complexe systemen die worden aangedreven door de vergankelijkheid van het leven, een delicate dans van co-existentie die alleen mogelijk is door de eeuwigdurende kringloop van leven en dood. Dode dieren worden aas voor andere dieren en uiteindelijk hergebruikt in de vorm van mineralen en voedingstoffen die plantengroei mogelijk maken. Door in te zoomen op het mini-ecosysteem dat zich ontwikkelt rondom de Apricot Lane Farms van de Chesters, houdt ‘The Biggest Little Farm’ de moderne mens ook een spiegel voor. Met onze hang naar onsterfelijkheid, gemak en genot hebben we onszelf namelijk steeds meer buiten de natuurlijke, circulair werkende ecosystemen geplaatst, wat heeft geleid tot een onnatuurlijk grote druk op zowel de aarde als de natuurlijke hulpbronnen die de planeet levert.

Helaas blijft de film wel het antwoord schuldig op enkele belangrijke vragen die zich bij veel kijkers zullen opdringen. Waar halen John en Molly het vele geld vandaan dat nodig is om hun droomboerderij uit de grond te stampen? En waar vinden we op onze overbevolkte planeet de ruimte om dergelijke projecten overal uit te rollen? Dergelijke vragen passen wellicht ook niet bij de (over)optimistische boodschap die een feelgoodfilm als ‘The Biggest Little Farm’ wil vertellen. De prent heeft dan ook wel wat weg van een sprookje, compleet met een duistere dimensie die laat zien dat het web des levens niet kan bestaan zonder eindigheid en dood.

‘The Biggest Little Farm’ is de visuele kroniek van een ecologisch succesverhaal vol schattige natuurplaatjes, animaties en droneshots. Als kijker droom je graag weg bij deze agrarische utopie, maar mis je wel een serieuze reflectie op de mondiale haalbaarheid van de getoonde landbouwidylle.

Frank Heinen

Waardering:

Bioscooprelease: 13 juni 2019