The Great Dictator (1940)

Regie: Charles Chaplin | 124 minuten | drama, komedie, oorlog | Acteurs: Charles Chaplin, Pauline Goddard, Jack Oakie, Reginald Gardiner, Henry Daniell, Billy Gilbert, Grace Hayle, Carter DeHaven, Maurice Moscovitch, Emma Dunn, Bernard Gorcey, Paul Weigel, Chester Conklin, Esther Michelson, Hank Mann, Florence Wright, Eddie Gribbon, Rudolph Anders, Eddie Dunn, Nita Pike, George Lynn

‘The Great Dictator’ is een vlijmscherpe aanklacht tegen het Derde Rijk en in het bijzonder tegen Adolf Hitler. Acteur en regisseur Charles “Charlie” Chaplin had al vroeg door welke weg Hitler had ingeslagen, toen hij al in 1937 aan de productie begon. Door allerlei vertragingen kwam de film pas in oktober 1940 uit, toen Duitsland al een flink aantal Europese landen veroverd had. Het is in de scènes waarin de draak wordt gestoken met Hitler en Mussolini dat de film zijn doel treft.

Adolf Hitler heet hier Adenoid Hynkel, gespeeld door Chaplin zelf, en is een pompeus leeghoofd met woedeuitbarstingen en dromerijen om “keizer van de wereld” te worden. Het is duidelijk dat Chaplin goed naar Hitler’s redevoeringen gekeken heeft, want hij benadert Hitler in houding, armgebaren en gescheld voor de microfoon. Alleen het Duits wat hij spreekt, is complete onzin, al zitten er voor de oplettende luisteraar, hier en daar wel echte woordjes tussen. Hynkel gaat soms zo te keer dat hij alleen nog maar grommende geluiden kan voortbrengen. De swastika is vervangen door twee kruisen, maar verder zijn alle uniformen en vlaggen regelrechte kopieën.

Zonder het te weten heeft Hynkel een dubbelganger, een naamloze joodse kapper (ook gespeeld door Chaplin). Met hem wordt de film geopend, als hij als eenvoudige soldaat dienst doet aan het front in de Eerste Wereldoorlog en bij het redden van een piloot zijn geheugen verliest. Deze piloot Schultz (een aimabele Reginald Gardiner) zal later in de film een cruciale rol vervullen. De kapper ligt jarenlang in het ziekenhuis en keert pas weer terug naar zijn kapperszaak als Hynkel de macht heeft overgenomen. Bij thuiskomst ligt zijn winkel in het ghetto en is dichtgespijkerd met het woord “Jew” op de gevel gekalkt. De kapper komt daar de aantrekkelijke Hannah (Pauline Goddard) tegen. Het levert een handvol scènes op, die jammer genoeg bol staan van sentimentaliteit. Het helpt ook niet dat Goddard weinig opmerkelijk spel laat zien.

De situaties rondom Hynkel zijn veel leuker. Zo komt minister Garbitsch (Henry Daniell) hem telkens storen als hij poseert voor een schilderij en buste om hem nieuwe, snode plannen in te fluisteren. En Minister Herring (Billy Gilbert) heeft allerlei wilde ideeën die voor de dictator gedemonstreerd worden, zoals een kogelwerend uniform en een hoed-parachute. Na elke faliekante mislukking van de demonstraties rukt Hynkel de veelvoud aan medailles van Herring’s uniform. Eenmaal gaat Hynkel, bij gebrek aan onderscheidingen, vrolijk verder met de knopen op het uniform. Naast Chaplin’s bekende pantomime en visuele grappen, worden er ook een flink aantal woordgrappen gemaakt. Zo wordt er gesproken over de “people of the Double Cross”, heet de dikke veldmaarschalk hier “Herring” (haring) in plaats van Göring en de minister van Binnenlandse Zaken en Propaganda “Garbitsch” (garbage is afval) in plaats van Goebbels. Een Himmler ontbreekt, misschien omdat in het buitenland destijds nog niet zoveel bekend was over de terreur van de SS. Ook in het ghetto zijn het voornamelijk de stormtroepers, geënt op de SA, die de joodse inwoners lastigvallen. De “Kristallnacht” van 1938 is hier zeker een inspiratie geweest. Achteraf verklaarde Chaplin overigens dat wanneer hij de echte omvang van de nazi-misdaden, met name de Holocaust, had geweten, hij de film niet gemaakt zou hebben.

Chaplin’s leukste moment als Hynkel is de beroemde scène waarin hij met een ballon in de vorm van een wereldbol speelt, verwijzend naar de ambities van de Führer. Ondanks Chaplin’s eigen aanval op Hitler wordt hij nog overtroffen door medespeler Jack Oakie, die werkelijk een hilarische Benzini Napolani neerzet. Deze dictator van het land Bacteria heeft ook zijn oog laten vallen op het weerloze buurland Osterlich (Oostenrijk). De scènes die de twee dictators samen hebben en waarbij ze elkaar proberen de loef af te steken zijn de beste uit de film. Oakie weet dat hij nauwelijks hoeft te overdrijven om Mussolini te persifleren. De fascistische dictator was zelf eigenlijk al een “larger than life” figuur, met zijn wijdbeense houding met de handen op de heupen, waardoor Oates alleen maar precies hetzelfde hoeft te doen om het gewenste karikaturale effect te bewerkstelligen.

De satirische elementen zijn bijzonder geslaagd, maar Chaplin lijkt zo op te gaan in zijn materiaal, dat de afwerking soms ronduit slordig te noemen is. Er zitten grote gaten in het plot en er zijn een aantal in het oog springende inconsistenties wat betreft de continuïteit. Het einde van de film lijkt er ook met de haren bijgesleept. Dat Hynkel en de kapper met elkaar verwisseld worden, is op zich grappig, maar deze situatie ontstaat veel te laat in de film om er het maximale uit te halen. En de gepassioneerde, minutenlange toespraak waarin de joodse kapper, als Hynkel, pleit voor democratie en gerechtigheid, valt uit de toon bij de rest van de film. Door dit alles wordt ‘The Great Dictator’ een curieuze mix tussen perfect getroffen en minder geslaagde scènes. Zeker de moeite waard, zelfs voor Chaplin-haters, maar er had nog nèt iets meer in kunnen zitten.

Hans Geurts

Waardering: 4

Bioscooprelease: 1 augustus 1947