This Is Spinal Tap (1984)

Regie: Rob Reiner | 80 minuten | komedie, muziek | Acteurs: Harry Shearer, Christopher Guest, Michael McKean, June Chadwick, Tony Hendra, Bruno Kirby, Rob Reiner, Kimberly Stringer, Chazz Dominguez, Shari Hall, R.J. Parnell, David Kaff, Jean Cromie, Patrick Maher, Ed Begley jr., Danny Kortchmar

Deze “Mockumentary” (van een “Rockumentary”) heeft sinds de release in 1984 legioenen fans voor zich gewonnen. Het is niet moeilijk te zien waarom: het is een vaak grappige film met veel citeerbare dialoog, die de draak steekt met rocksterren op hun retour en tegelijkertijd een bijna levensechte rockband heeft gecreëerd en in stand heeft gehouden. De film van regisseur Rob Reiner, geen onbekende op het gebied van comedy (‘The Princess Bride’, ‘When Harry Met Sally’), heeft een interessante aanpak gebruikt. Hij heeft de acteurs vele uren gefilmd in de hoedanigheid van hun personages, om zo authentiek mogelijk over te kunnen komen in de uiteindelijke film, en terug te kunnen grijpen naar “archiefbeelden” en dergelijke.

De film balanceert qua toon op het randje van satire en oprechte documentaire. Je ziet duidelijk dat het grappig bedoeld is, maar je moet toch het gevoel krijgen dat het hier (bijna) om een echte band en documentaire zou kunnen gaan. De film is te prijzen voor de mate waarin deze aanpak is geslaagd. Echter, het is moeilijk om deze subtiele vorm van komedie constant vast te houden. Soms wordt deze delicate balans dan ook licht verstoord, wat verschillende gevolgen heeft. Op de spaarzame momenten dat de film te serieus wordt, is de film ook vaak minder interessant, wat enerzijds komt door de simpele personages en anderzijds door het (gebrek aan) verhaal. Wanneer de komedie echter te erg wordt overdreven, wordt de algehele toon doorbroken, waardoor je de constructie van de film ziet en eruit wordt getrokken.

De eerste twintig a dertig minuten van de film werken erg goed, afgezien van het te overduidelijk grappig bedoelde voorwoord van regisseur Rob Reiner zelf, die hier de rol inneemt van documentairemaker Marty Di Bergi. Je maakt kennis met de naïeve, enthousiaste bandleden op een grappige, maar tegelijkertijd authentieke en daardoor ontwapenende manier. De humor komt hier voornamelijk voort uit hun serieus bedoelde optredens, en de situaties en vertellingen van de mannen. We leren dat de bands eerste naam “The Originals” was, maar dat er al een band was die zo heette, en dat ze daarom maar “The New Originals” werden. De songteksten en uitdossing van de bandleden als ze op het podium staan zijn erg amusant, met hun lange haar en strakke broeken (waarbij de camera hun kruis vaak nadrukkelijk in beeld neemt). Wat muziek en overtuiging betreft verschilt de band inderdaad weinig van soortgelijke werkelijk bestaande bands (uit de jaren tachtig, negentig). Het is ook makkelijk voor te stellen dat de verwikkelingen buiten het podium ook in werkelijkheid zo plaatsvinden. De onderlinge strubbelingen, de rocksterpretenties, ruzies met managers en platenlabels, quasi-filosofische mijmeringen, het heeft allemaal wel een bepaalde levensechte resonantie.

De band is bekend geworden als de luidste band van Groot-Brittannië, maar we zien dat ze niet zo begonnen zijn. In het begin was het allemaal nog schattige flowerpower muziek. De oude beelden die we zien van de band zijn hilarisch, met optredens van nummers als “Listen to the Flower People”, met bijpassend bloemrijk decor en knullige bewegingen.

De titels van hun albums zijn ook amusant, zoals “Intravenus de Milo” en “Smell the Glove”. De productie van de cover van dit laatste album gaat gepaard met enige controverse. De afbeelding op de hoes zou te aanstootgevend en seksistisch zijn, waarvan Nigel niets snapt. Wat is er mis met “sexy”? De afbeelding bevat overigens een ingevette naakte vrouw, op handen en voeten, met een halsband en een riem vastgehouden door een mannenhand, die een handschoen in haar gezicht duwt.

Hoewel de toon van de film overwegend komisch is, is het tegelijkertijd triest om te zien hoe deze band duidelijk zijn beste tijd gehad heeft, wat succes betreft, maar dit zelf niet ziet of wil zien. Er bekruipt je een tweeslachtig gevoel als bij een signeersessie niemand komt opdagen; wanneer ze denken herkend te worden door een enthousiaste fan, maar dan blijkt dat ze op een andere muzikant afstapt; of wanneer een optreden van Spinal Tap samen gepland staat met een poppenkastvoorstelling, en niet eens als eerste genoemd wordt. Je hebt dan ergens toch wel met ze te doen.

De meeste verwikkelingen zijn amusant en boeiend om te zien, maar het is iets te summier voor een volwaardige speelfilm. Daarom is er tegen het einde van de film nog een laatste conflictsituatie geconstrueerd, door een bandlid op te laten stappen. Door deze plotwending wordt er nog enige spanning en drama gecreëerd, die tenslotte dan weer op een bevredigende manier afgerond kan worden, hiermee voor een duidelijk slot van de film zorgend. Aan de ene kant werkt het goed als slot, maar je bent je als kijker wel bewust van de filmische constructie. Ook blijft de film als geheel toch wat aan substantie missen.

Bart Rietvink