When We Were Kings (1996)

Regie: Leon Gast | 84 minuten | documentaire | Met: Muhammed Ali, George Foreman, Don King, James Brown, B.B. King, Mobutu Sese Seko, Spike Lee, Norman Mailer, George Plimpton, Thomas Hauser, Malick Bowens, Lloyd Price, Wilton Felder, Wayne Henderson, Stix Hooper, Joe Sample, Miriam Makeba

De regisseur Spike Lee, maker van onder andere ’25th Hour’ en ‘Do The Right Thing’, komt ergens halverwege de film in beeld en maakt een schijnbaar clichématige opmerking over het feit dat de jongeren van tegenwoordig niets weten over geschiedenis. Ze hebben geen idee van het grote belang (voor de zwarte gemeenschap) of de invloed van Muhammed Ali. Gezeur? Helemaal niet. Tenminste, deze keer niet. ‘When We Were Kings’ is namelijk niet alleen een briljant eerbetoon aan een van de grootste figuren in de twintigste eeuw, maar ook een superieure verantwoording voor Spike Lees claim. De film schakelt daarvoor steeds van knap gemonteerd historisch beeldmateriaal naar de herinneringen en indrukken van mensen als Spike Lee en de schrijver Norman Mailer, en weer terug. Het resultaat is een krachtig en complex beeld van hoe Muhammed Ali zich staande hield in het mediacircus omtrent het gevecht in Zaïre door de ene wervelende sketch na de andere op te voeren. Grootspraak was daarbij eerder een doortrapt stijlmiddel dan een uiting van megalomanie, en vermoedelijk ook, een mantra tegen een roemloze nederlaag. Zelfs toen het gevecht al was begonnen. Ali was volgens velen, en waarschijnlijk ook hemzelf, kansloos tegen George Foreman, maar wist toch, misschien ook met meer geluk dan wijsheid, te triomferen. En niet alleen in de ring. Ook daarbuiten. Wat je op het puntje van je stoel houdt, is niet zozeer de afloop die is bekend maar de strijd van Ali om niet toe te geven aan het verlies van vertrouwen in eigen kunnen. Ondanks of misschien ook juist vanwege het feit dat hij al door iedereen was opgegeven.

Trots is voor sommigen een vies woord. Voor andere mensen is het simpelweg de noodzaak van zelfbeschikking. En dat is ook wat naar voren komt in zijn weigering om dienst te doen in Vietnam. I ain’t got no quarrel with them. Ain’t no Vietcong ever called me nigger.. Voor die weigering werd hij toentertijd gefileerd door de Amerikaanse pers en omarmd door de bevolking van Zaïre. De Zaïrezen zagen het als een teken van solidariteit met de minderbedeelden. Een van hen legt in de film ook uit waarom Muhammed Ali toen zo vreselijk veel populairder was dan de eveneens zwarte George Foreman: Yes, Ali was whiter dan George. He could have been even whiter, and it still wouldn’t matter. He was one of us. Human.. Als je dan Muhammed Ali ziet praten en denken en bewegen, kan je eigenlijk alleen maar instemmen. Je zou bijna zeggen dat zijn ego zo groot is omdat zijn hart dat is. Muhammed Ali op het witte doek is één brok charisma, humor en spotlust. Tel daar zijn generositeit en politieke bewustzijn bij op, en je hebt een onverslaanbare combinatie. Norman Mailer doet wat dat betreft ook een veelzeggende anecdote uit de doeken over het moment in de kleedkamer vlak voor het grote gevecht. De sfeer was bedrukt en iedereen vreesde voor wat komen zou. Ali begon als een clown rond te springen en luidkeels te bazelen: I’m gonna dance. I’m gonna dance. I’m gonna dance. He’s gonna be so bewildered!!.
Bij een clown weet je nou eenmaal nooit of hij je in de maling neemt. En of hij gelijk heeft. Of dat krijgt.

Jimmy Wong