1408 (2007)

Regie: Mikael Håfström | 120 minuten | horror, thriller | Acteurs: John Cusack, Samuel L. Jackson, Mary McCormack, Andrew Lee Potts, Kim Thomson, Jasmine Jessica Anthony, Len Cariou, Drew Powell, Kate Walsh, Peter Conboy, Thomas A. McMahon, Chris Carey, Walter Lewis, Noah Lee Margetts, Tyler Nilson, Jessica Cail, Ike Ononye    

‘1408’ is gebaseerd op een kort verhaal van Stephen King. Jammer alleen, dat de film ook niet kort is gebleven. Hoe geschikt Kings boeken namelijk ook zijn voor verfilming, dit betekent niet dat er meteen een effectieve langspeelfilm van gemaakt kan worden. Met een verhaal dat zich voornamelijk richt op menselijk drama en sociale interactie, zoals in het korte verhaal “Rita Hayworth and the Shawshank Redemption”, kan er nog wel succesvolle verdieping plaatsvinden, zoals bleek in Frank Darabonts verfilming. Echter, wanneer het gaat om een verhaal dat in zijn kracht vooral leunt op claustrofobische horror, is er niet zoveel om mee te werken. Een geniale opzet en sfeerzetting kan dan verloren gaan in psychologische banaliteiten en expliciete, en met de haren erbij gesleepte horrorclichés. Zoals gebeurt in de filmversie van ‘1408’.

Één van de weinige welkome uitbreidingen aan het korte verhaal is de grotere rol van de hotel manager, Olin, die in het boek nauwelijks voorkwam. Olin in de film, zoals gespeeld door Mr. Bad-ass himself, Samuel L. Jackson, is van groot belang voor de spanningsopbouw in de film. Dit belang wordt visueel benadrukt door zijn eerste ontmoeting met Mike Enslin in beeld te brengen middels een continu om het pratende tweetal heen draaiende camera. Maar, de woorden van Enslin zijn nog krachtiger. Zijn horrorverhalen over alle doden in kamer 1408 komen op de sceptische Enslin lange tijd over als slechts een leuke act, om een mythe in ere te houden, maar Olin maakt gaandeweg toch wel erg goed duidelijk doodserieus te zijn. Zo vertelt hij dit Mike alleen maar uit eigenbelang. Hij heeft er namelijk geen zin in om steeds (letterlijk) de troep te moeten opruimen die in de kamer achterblijft. Dit maakt nog weinig indruk op Enslin, net zo min als de bewering van Olin, dat niemand het langer dan een uur heeft uitgehouden, of overleefd, in kamer 1408. Dan pakt hij een map foto’s met zo’n vijftig verschillende slachtoffers die op uiteenlopende manieren aan hun eind zijn gekomen in de kamer. Nu moet Enslin toch wel enigszins slikken. Hij is echter onvermurwbaar en moet en zal de kamer hebben. Met tegenzin geeft Olin hem de sleutel en gaat met hem in de lift mee naar boven, waar hij terloops nog een laatste feitje over kamer vertelt: het vertrek wordt elke maand gereinigd, maar dit moet, door de reputatie van de kamer, gebeuren met de deur open, waarbij niemand meer dan tien minuten binnen mag zijn. Zelfs dit is een kamermeisje uit El Salvador echter fataal geworden…

Het kan niet schelen hoe ervaren je bent op het gebied van spookverhalen, en hoe sceptisch van aard, dit is wel erg veel om te verteren. Enslin blijkt, net als de kijker, duidelijk te zijn aangedaan door de aanhoudende, en bloedserieus overkomende Olin en zijn verhalen. Het moment dat Enslin nu de (uiteraard krakende) deur van kamer 1408 opendoet, is daarom ontzettend beladen geworden, zwanger van spanning en anticipatie. Enslin schakelt voorzichtig de verschillende lichtknopjes aan, en even houdt hij, samen met de kijker, zijn adem in… er gebeurt niets. Vanaf dit moment is het een one-man show. Mike Enslin in de hotelkamer. En dit had zo moeten blijven. De spanning is geweldig geconstrueerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van Enslins rationaliteit als ijkpunt voor de toeschouwer. Hij is de ultieme scepticus, en analyseert de gehele kamer droog, steeds alles insprekend op zijn memorecorder. Wanneer er echter rare dingen gaan gebeuren in de kamer en zelfs zijn ondoordringbare muur van zelfbeheersing en overwicht afbrokkelt, is de kijker ook verloren. Het begint met kleine dingetjes, zoals een inschakelende radio (met de Carpenters’ “We’ve only just begun” als ironische begeleiding) of een spuitende kraan in de wasbak, maar langzamerhand lijken zijn rationele verklaringen niet meer voldoende te zijn.

Deze eerste helft van de film is werkelijk briljant en houdt je als kijker continu op het puntje van je stoel. Op een gegeven moment besluiten de filmmakers echter om allerlei spookbeelden en expliciete actie en horror in te voegen, die de zorgvuldig opgebouwde spanning praktisch in zijn geheel doet wegebben. Daarnaast wordt er wel erg veel de nadruk gelegd op Enslin’s familietrauma, wat te maken heeft met zijn ex-vrouw en dochtertje. Natuurlijk is het interessant om in het midden te laten of het hier om echte horror gaat die de kamer veroorzaakt, of om persoonlijke horror van de bezoekers van de kamer, die daar wordt opgewekt. Maar in plaats van een onderhuidse en sterke psychologische aanpak, zoals in bijvoorbeeld ‘The Shining’, die andere King-verfilming over een kwaadaardig hotel, wordt hier gekozen voor teleurstellende spookbeelden, en melodramatische “confrontaties”. Als klap op de vuurpijl wordt er laat in de film gekozen voor een “verrassende” twist, die een extra laag aanbrengt in de realiteit-fantasie dynamiek in de film. Jammer, en onnodig. Het had gewoon puur moeten gaan om Enslin en de kamer. Wat een geniale korte film had kunnen zijn, is nu verzand in een veelbelovende, maar uiteindelijk teleurstellende langspeelfilm.

Bart Rietvink