A Clockwork Orange (1971)

Regie: Stanley Kubrick | 131 minuten | drama, misdaad | Acteurs: Malcolm McDowell, Patrick Magee, Adrienne Corri, Miriam Karlin, Warren Clarke, James Marcus, Michael Bates, Clive Francis

De controversiële film ‘A Clockwork Orange’ is een film die tegelijkertijd wonderschoon en zeer onaangenaam is. Het is een film die tot nadenken stemt door de morele dilemma’s die gepresenteerd worden, en in zijn onderwerpkeuze nog steeds actueel en betekenisvol is.

Kubricks film werd destijds aangevallen vanwege het schijnbare zwelgen in geweld en de nihilistische toon. Er kwamen berichten over echte geweldplegingen die zouden zijn geïnspireerd door de film. Nu zijn de gebeurtenissen in de film zeker gewelddadig, maar niet op zo’n manier dat je na het zien van de film zin krijgt in een flinke dosis geweld. Integendeel: je blijft met een benauwend en ongemakkelijk gevoel achter, en keurt de gewelddadige handelingen in de film resoluut af.

De acties van de hoofdrolspeler zijn namelijk een tekstboekvoorbeeld van zinloos geweld en daarom volkomen verwerpelijk. Zonder enige reden of aanleiding slaat Alex met zijn “Droogs” een zwerver in elkaar en molesteert hij het huishouden van een getrouwd stel, waarbij de man wordt afgetuigd en de vrouw wordt verkracht. Het dieptepunt vindt plaats wanneer Alex op een avond wordt gearresteerd na een vrouw te hebben vermoord met een decoratieve reuzenpenis (je moet het zien om het te geloven).

De film roept belangrijke vragen op. Hoe moeten we bijvoorbeeld als maatschappij optreden tegen een gemeenschap waarin bendes hoogtij vieren en er nauwelijks respect is voor de medemens? Meer “blauw” op straat? Zwaardere straffen? Betere rehabilitatie? Onderwijs over “normen en waarden”, wellicht?

Alex wordt berecht en opgesloten (met een straf van 14 jaar). Hij ondergaat het “normale” gevangenisleven en krijgt bijbelonderwijs. Dan wordt er een experimenteel project naar voren gebracht, de zogenaamde Ludovico-behandeling, wat wellicht opsluiting voor bepaalde gevangenen overbodig kan maken (waardoor de cellen weer gebruikt kunnen worden voor politieke criminelen). De brutale en kwaadaardige Alex blijkt de ideale proefpersoon voor deze behandelingsmethode te zijn. Hij moet onafgebroken naar films kijken met de meest vreselijke geweldplegingen erin, terwijl hij geïnjecteerd is met een goedje dat hem misselijk maakt. Het gevolg is dat bepaalde afkeurenswaardige neigingen van Alex in de toekomst in de kiem gesmoord zullen worden doordat hij lichamelijk onwel wordt wanneer deze bij hem opkomen. In een demonstratie zien we hoe hij door een man verbaal en lichamelijk wordt aangevallen, maar dat hij door zijn behandeling niets terug kan doen. Hij moet zich zelfs verlagen tot het likken van de schoenzool van de man.

Hoe effectief deze behandeling ook is (of lijkt te zijn), het is de vraag of dit soort behandelingen en rehabilitatieprocessen wel humaan en moreel verantwoord zijn. Als we ingrijpen in de vrije wil van de mens, ontdoen we hem dan niet van een essentieel onderdeel van zijn menselijkheid? Moet de oplossing zijn dat we allemaal als robots een geprogrammeerd pakket van gedragingen hebben? Is een goede daad (of een vermijding van een slechte) wel werkelijk goed te noemen als deze niet uit vrije wil voortkomt?

Het antwoord op deze vragen is misschien niet eenvoudig, maar het is desalniettemin tekenend dat we, hoe erg we hem ook zijn gaan haten, toch een beetje met Alex te doen krijgen als we zien tot wat voor een zielig hoopje mens hij is verworden na de Ludovico-behandeling. Dit komt niet in de laatste plaats door McDowells briljante vertolking van Alex, die elke nuance van zijn personage treffend weet te verbeelden en zowel afgrijzingwekkend als sympathiek kan overkomen.

Het soms theatrale gedrag en gekunstelde taalgebruik van Alex wordt gecomplementeerd door de vorm en stijl van de desbetreffende scènes. De compositie van de shots is vaak prachtig, evenals de sets, belichting, en begeleidende muziek. Alex houdt van de muziek van Beethoven, wiens negende symfonie als een rode draad door de film heenloopt. De muziek zorgt soms voor een vervreemdend en surreëel effect, vooral wanneer de schoonheid hiervan niet overeenstemt met de inhoud van de beelden. De stilering bereikt echter niet het punt dat de geweldsdaden worden geromantiseerd. Slechts tijdens de momenten waarop de bendeleden elkaar te lijf gaan wordt het kunstzinnige register volledig opengetrokken met duidelijk gechoreografeerde beelden en bombastische achtergrondmuziek. De zinloze acties van Alex jegens zijn onschuldige medemens daarentegen, worden rauw en direct in beeld gebracht, en creëren hiermee het “juiste” gevoel van onbehagen en afkeuring.

Sommige beelden van de film hebben zich inmiddels genesteld in het collectieve geheugen. De door een akelig tangetje wijd opengesperde ogen van Alex; het openingsshot van het hoofd van Alex die, getooid met een bolhoed en een kunstmatige “wenkbrauw” rond zijn rechteroog, een duivelachtige grijns laat zien; het shot van de vier bendeleden onder een brug, waarbij een blauw licht ze lange, bedreigende schaduwen geeft.

Deze beelden, die op je netvlies gebrand blijven, zijn des te memorabeler vanwege de verontrustende thematiek van de film. Het zijn al deze elementen samen die de film zijn klasse geven: Kubricks onuitwisbare stijl, gecombineerd met de spraakmakende inhoud en het uitmuntende acteerwerk van McDowell, maken deze film tot een absoluut meesterwerk.

Bart Rietvink

Waardering: 5

Bioscooprelease: 20 april 1972