Buladó (2020)

Recensie Buladó CinemagazineRegie: Eché Janga | 86 minuten | drama | Acteurs: Everon Jackson Hooi, Felix de Rooy, Tiara Richards, Vanessa Abad, Bert Aengenendt, Esperanza Copini, Alex de Lanoy, Chanella Hodge, Janise Maria Hooi, Brend Kouijzer, Mimoushka Lieuw, Idelma Mercelina, Juric Phelipa, Zahavi Ricardo

De wieg van filmmaker Eché Janga stond weliswaar in Haarlem, maar zijn vader is geboren en getogen op Curaçao. Omdat zijn ouders uit elkaar gingen toen Eché nog jong was, kreeg hij lange tijd weinig mee van zijn Antilliaanse achtergrond. Dat veranderde toen hij een tijdje bij zijn oom Orlando op Curaçao ging wonen. Orlando was een man die veel van de wereld gezien had en graag korte verhalen schreef over de culturen en tradities waarmee hij tijdens zijn vele reizen in aanraking kwam. Eché vond op zolder bij zijn oom een schriftje met een reeks van die korte verhaaltjes, waarbij met name de vijf kantjes over twee broers die met hun vader en opa op een autosloperij woonden, zijn aandacht trokken. Waar de vader en de oudste broer opa het liefst in een verzorgingshuis wilden stoppen, wenste opa te worden teruggebracht naar zijn land van herkomst in Afrika. De manier waarop is een heel bijzondere: op de rug van een oud paard, geleid door een roofvogel. De jongste zoon besloot zijn opa te helpen. Het verhaal van Orlando is gebaseerd op een Antilliaanse mythe die vertelt over hoe de tot slaaf gemaakte mensen die niet van het zout uit de zoutmijnen gegeten hadden, op een paard hun vrijheid tegemoet konden springen, terug naar Afrika.

Die mythe vormt, samen met het verhaal van Janga’s oom Orlando en het overlijden van de moeder van co-scenariste Esther Duysker, de basis van ‘Buladó’ (2020), dit jaar de openingsfilm van het Nederlands Film Festival. De film laat een voor vele Nederlanders onbekende kant van Curaçao zien; we zien niet de zonovergoten, hagelwitte zandstranden, de vrolijk gekleurde huisjes en het massatoerisme, maar de ‘kunuku’ van Bandabou, het arme platteland waar zwerfhonden, cactussen, leguanen en autowrakken het landschap bepalen. In die outbacks woont de elfjarige Kenza (glansrol van debutante Tiara Richards), samen met haar vader Ouira (Everon Jackson Hooi) en opa Weljo (Felix de Rooy). Waar haar vader rationeel is en de letter van de wet nauwgezet volgt (hij is niet voor niets politieagent), voelt haar opa zich nu hij zijn einde voelt naderen meer en meer op spirituele wijze verwant met de cultuur en tradities van zijn voorouders, de Caquetio. Van oude uitlaten en andere auto-onderdelen bouwt hij zijn eigen ‘geestenboom’, om in contact te komen met de inheemse bewoners van het eiland en zo zijn wens in vervulling te kunnen laten gaan: te sterven als een Caquetio-strijder. Kenza, die aan het begin van haar puberteit staat, mist een moederfiguur; haar moeder stierf bij de bevalling en haar vader vindt het zo moeilijk om daarover te praten dat hij liever zwijgt. ‘Wat je niet kent, kun je ook niet missen’, zegt hij tegen de schooldirectrice die wil weten of de eigengereide Kenza zich soms misdraagt omdat ze een moederfiguur mist. Maar ondertussen hangen de jurken van zijn overleden echtgenote nog in de kast. Opa Weljo daarentegen omarmt de dood als iets dat bij het leven hoort. Hij beweert dat haar moeders geest contact met haar dochter zoekt en zodoende groeien Kenza en hij dichter naar elkaar toe.

‘Buladó’ draait om een botsing van generaties: opa Weljo omarmt het verleden omdat hij gelooft dat die een belangrijke rol speelt in de vorming van de toekomst: verloochen je cultuur en tradities niet, ze maken onderdeel uit van je identiteit. Vader Ouira is typisch een kind van twee culturen en kijkt liever vooruit: probeer wat van je leven te maken, grijp de mogelijkheden die zich voordoen met beide handen aan. Leer Nederlands omdat je daarmee kansen vergroot op een succesvolle carrière. Voor beide visies valt het nodige te zeggen. Kenza schippert tussen haar vader en haar opa en probeert haar eigen weg te vinden. De verwerking van het overlijden van haar moeder is niet zozeer het doel, maar een middel voor Kenza om verder te komen. Om haar eigen identiteit te ontdekken. Opa kan het allemaal wel zo mooi vertellen van die overleden voorouders die contact zoeken met hun aardse nazaten, maar het lijkt er soms ook een beetje op dat hij zijn verstand aan het verliezen is. Die keer dat hij als een bezetene tekeer gaat tegen een voorbijvarend cruiseschip bijvoorbeeld. Maar in zijn spirituele visie schuilt wel een mooie vorm van troost, hoop en houvast. Het geeft Janga bovendien volop ruimte om zijn film een magisch-realistische touch te geven, die zeker naar het einde toe een hypnotiserende werking heeft.

Want hoewel hij vrij aardse zaken aankaart – het zoeken naar je identiteit, het omgaan met verlies – presenteert hij ons zijn verhaal als een mystiek sprookje, waarin de dialogen (veelal in het Papiamento) spaarzaam zijn omdat de beelden vaak voor zich spreken. Op magnifieke wijze toont Janga ons de weerbarstige schoonheid van andere, échte Curaçao: grillig als de vele cactussen die het eiland sieren, stoffig en hier en daar onherbergzaam. Door uitstekend gebruik te maken van muziek en geluid, voelen we de op het eiland immer aanwezige passaatwinden ons haast om de oren blazen. Even betoverend als het landschap is het spel van het piepjonge natuurtalent Tiara Richards, die de kunst verstaat om met slechts een enkele blik een wereld wol emoties over te brengen. Ook Hooi en De Rooy zijn innemend, maar het is toch echt hun onervaren jonge tegenspeelster die de show steelt in dit fascinerende mysterieuze sprookje.

Patricia Smagge

Waardering: 4

Bioscooprelease: 1 oktober 2020
DVD- en blu-ray-release: 20 januari 2021