Fanfare (1958)

Regie: Bert Haanstra | 83 minuten | komedie | Acteurs: Hans Kaart, Bernard Droog, Ineke Brinkman, Wim van den Heuvel, Andrea Domburg, Albert Mol, Henk van Buuren, Herbert Joeks, Johan Valk, Ton Lutz, Riek Schagen, Sara Heyblom, Dio Huysmans, Huib de Vries, Willem Huysmans, Bob Verstraete

‘Fanfare’ is een mijlpaal in het oeuvre van Bert Haanstra. Het is namelijk de eerste keer dat deze prijswinnende Nederlandse regisseur – hij had net een zegetocht gemaakt met ‘Glas’ – een speelfilm maakte. En het werd meteeen de best bezochte Nederlandse film aller tijden. De populariteit is makkelijk te begrijpen: de typische Nederlandse gezelligheid straalt ervan af, en ook al draait de hele film om een conflictsituatie, het wordt nooit ernstiger dan een paar boze gezichten. De omgeving van Giethoorn is ook een perfecte setting voor dit intieme verhaaltje. Door zijn watertjes, pittoreske huisjes, en boerderijdieren, bevindt je je als kijker direct in een uitgesproken nationale omgeving. En het charmante verhaal over een onschuldige twist tussen twee muziekkorpsen zal velen kunnen bekoren.

Dat ‘Fanfare’ in de basis een simpel verhaal heeft, betekent echter niet dat het een makkelijke klus was om deze film tot een succes te maken. Het is immers een komedie, volgens Haanstra het moeilijkste genre. Ritme en timing zijn belangrijk, en natuurlijk houdt niet iedereen van dezelfde grappen. Om dan zo’n – bij zowel publiek als critici – algemeen gewaardeerde film te maken, is dan ook een flinke prestatie.

De regie van Haanstra is een belangrijk component in het welslagen van de film. Wat meteen opvalt zijn zijn visuele grapjes wanneer we verschillende koeien over het weiland zien glijden alsof ze op een rails worden voorgetrokken of op een lopende band staan. Maar even later ziet de kijker wat er aan de hand is: de koeien staan op kleine, platte bootjes die door de grachten tussen het riet varen. Het is een mooie inleiding. Want Lagerwiede, het dorp waar Giethoorn voor in staat, bestaat grotendeels uit water, zo laat de verteller weten. De melk van de melkman en het hooi van de boer: het moet allemaal via bootjes vervoerd worden.

Ook wordt hier een ander bekend Haanstra-element geïntroduceerd, te weten de komische en schattige aanwezigheid van verschillende dieren die in Nederland het straat- en plattelandsbeeld bepalen. ‘Fanfare’ begint en eindigt met dieren – het laatste shot is dat van een groep eendjes, onder begeleiding van een arrangement van “alle eendjes zwemmen in het water” – en ze komen regelmatig terug in de film zelf om contrasten of overeenkomsten te laten zien met de menselijke personages. Eendjes die met het hoofd onder water duiken wanneer een man net een nat pak heeft gehaald, bijvoorbeeld, of druk kwakende eenden die gevolgd worden door shots van ruziënde mensen.

Het zijn misschien wel de leukste momentjes uit de film, al zijn de mensen ook best amusant. Vooral Albert Mol is goed gecast als de vrolijk ronddartelende dirigent uit Amsterdam die in stukken primitievere omstandigheden blijkt te moeten werken dan hij is gewend. In een schuur, bijvoorbeeld, met rondvliegend gevogelte. Haanstra houdt de vaart er doorgaans goed in, door zich toch vooral op het centrale conflict te concentreren. Continu is de kijker een reactie aan het afwachten of bekijken op een actie van één van de afgesplitste korpssecties van het oorspronkelijke korps dat, ironisch genoeg, “Kunst en Vriendschap” is genaamd. Ze zitten elkaar voortdurend in de haren door het stelen en weer opsporen van instrumenten, en het omkopen van een essentieel korpslid, de triangelspeler. Essentieel, aangezien hij degene is die één van beide korpsen de meerderheid kan bezorgen. Ook ironisch, natuurlijk, omdat de triangelspeler normaal niet voor vol wordt aangezien in een korps. Haanstra’s parallelmontage tussen de twee groepen toont mooi hun wederzijdse trainingssessies en individuele plannetjes.

Het acteerwerk is soms wat statisch, en niet elke scène is even boeiend of functioneel. En het verhaal is dan wel aangenaam, echt spannend is het niet (meer). Misschien wel een onvermijdelijke bijkomstigheid van de onschuldige knusheid van deze gemeenschap. Toch is de film in zijn totaliteit sprankelend en aantrekkelijk genoeg om ook in de eenentwintigste eeuw nog te kunnen plezieren. Volgens Haanstra zelf was er bij de cast en crew van ‘Fanfare’ een groot saamhorigheidsgevoel en hebben ze allemaal erg veel lol gehad tijdens het maken van de film. En dit is nog steeds goed merkbaar.

Bart Rietvink